Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummers: 83/033771-22 en 83/176915-19 (ter terechtzitting gevoegd) Datum uitspraak: 22 juli 2025 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige economische kamer voor strafzaken, in de zaken tegen de verdachte rechtspersoon: [verdachte rechtspersoon] , gevestigd op het adres: [adres] , raadsman mr. J.S. de Gram, advocaat te ’s-Gravenhage. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 2 juli 2025, 4 juli 2025 en 22 juli 2025. 2Tenlastelegging Aan de verdachte rechtspersoon is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. S.M. van der Kallen heeft gevorderd: bewezenverklaring van het onder parketnummer 83/033771-22 onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde; bewezenverklaring van het onder parketnummer 83/176915-19 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte rechtspersoon tot een geldboete ter hoogte van € 60.000. 4Geldigheid dagvaardingen 4.1. Standpunt verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat de dagvaardingen ten aanzien van zowel de primaire als de subsidiaire verdenkingen van de feiten 1, 3 en 5 van parketnummer: 83/033772-22 en het feit onder parketnummer 83/176915-19 partieel nietig verklaard dienen te worden, omdat niet is voldaan aan het bepaaldheidsvereiste als bedoeld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). De onderdelen ‘een of meer’, ‘of meer’, ‘of anderen’, ‘zijn mededader’ en ‘zijn mededaders’ zijn te algemeen en onbepaald, waardoor sprake is van onvoldoende feitelijk omschreven en gespecificeerde onderdelen van de tenlastelegging, ook bezien tegen de achtergrond van het dossier. 4.2. Beoordeling Op grond van artikel 261 Sv moet de tenlastelegging, op straffe van nietigheid, een opgave behelzen van het feit dat ten laste wordt gelegd, alsmede de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan, zodat duidelijk is waartegen de verdachte rechtspersoon zich moet verdedigen. De begrijpelijkheid van de tenlastelegging moet verder worden bezien tegen de achtergrond van het dossier. Mede tegen de achtergrond van het dossier zal de rechtbank haar oordeel beperken tot de in de tenlastelegging genoemde containers. Dat betekent dat het verweer voor zover het ziet op overige containers geen bespreking behoeft. Voor zover het verweer ziet op de personen met wie de verdachte rechtspersoon de feiten zou hebben medegepleegd, geldt dat het gelet op het dossier en het verhandelde ter zitting duidelijk is welke (rechts)personen dit betrof. 4.3. Conclusie De dagvaardingen zijn (geheel) geldig. 5Waardering van het bewijs 5.1. Bewijswaardering 5.1.1. Standpunt verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. De verdediging heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat de betreffende containers die respectievelijk naar Thailand, Nigeria, Turkije en Zuid-Afrika zijn overgebracht geen afvalstoffen in de zin van Europese verordening nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (hierna: EVOA) bevatten. De containers waren gevuld met producten die niet onder de EVOA vallen dan wel met (kunststof)granulaat. Het betrof bijproducten of stoffen die konden worden hergebruikt of de status einde-afval hadden gekregen. Voor zover voor de rechtbank onvoldoende is komen vast te staan in welke categorie de vervoerde producten vallen, heeft de verdediging een voorwaardelijk verzoek gedaan om daarover prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof van Justitie. Subsidiair is aangevoerd dat vrijspraak dient te volgen omdat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld welke producten in de containers werden vervoerd. Voorts heeft de verdediging betoogd dat de verdachte rechtspersoon ten aanzien van de zaaksdossiers Thailand (I & II), Nigeria, Turkije en Zuid-Afrika niet als overbrenger of kennisgever kan worden aangemerkt en dat de verdachte rechtspersoon niet als feitelijk pleger of medepleger kan worden aangemerkt. De verkoop van de inhoud van de betreffende containers aan een in Nederland gevestigd bedrijf heeft in Nederland plaatsgevonden waardoor de verdachte rechtspersoon niet als overbrenger of als kennisgever in de zin van de EVOA kan worden aangemerkt. Daarnaast biedt het dossier onvoldoende steun voor de stelling dat de verdachte rechtspersoon zelf uitvoeringshandelingen heeft verricht. Uiterst subsidiair is aangevoerd dat het ten laste gelegde opzet steeds als boos opzet dient te worden uitgelegd en dat dit niet kan worden bewezen, ook niet in voorwaardelijke zin. Subsidiair is aangevoerd dat voor zover het opzet kleurloos dient te worden ingevuld, de eisen voor bewezenverklaring van dat opzet hoog zijn als gevolg van de complexiteit van de EVOA en de bijbehorende regelgeving. De culpoze variant van de ten laste gelegde delicten is thans verjaard, zodat voor deze variant de niet-ontvankelijkheid van het OM dient te volgen. Ten aanzien van zaaksdossier Thailand II is aanvullend aangevoerd dat uit het dossier volgt dat de containers niet naar Thailand, maar naar de Verenigde Staten zouden gaan. Indien de verdachte rechtspersoon wel als kennisgever en/of overbrenger kon worden aangemerkt, voldeed zij dan ook aan alle voorwaarden. In dat kader is een voorwaardelijk verzoek gedaan om getuige [getuige] te horen. Ten aanzien van zaaksdossier Zuid-Afrika is aanvullend aangevoerd dat het dossier geen wettig en overtuigend bewijs bevat dat de verdachte rechtspersoon wist dat de betreffende container naar Zuid-Afrika zou worden overgebracht, maar in de gerechtvaardigde veronderstelling verkeerde dat de container naar Brazilië zou gaan. Dat op de factuur Lockfloors (Zuid-Afrika) staat vermeld, doet daar niet aan af, nu de factuur niets zegt over de (eind)bestemming van de container. 5.1.2. Beoordeling De in de tenlasteleggingen genoemde containers zijn op verschillende data verscheept naar onder andere Nigeria, Thailand, Turkije en Zuid-Afrika. Deze containers waren blijkens het dossier gevuld met afvalstoffen. De EVOA schrijft procedures voor die moeten worden gevolgd bij de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen. Afhankelijk van de aard van de afvalstof, de beoogde wijze van verwerken en het land van bestemming volgt welke procedure in het kader van de EVOA geldt, zoals een kennisgevingsprocedure (artikel 4 EVOA). Als er een exportverbod geldt, is de overbrenging van afvalstoffen naar dat land verboden. Die gedraging is strafbaar gesteld in artikel 10.60 lid 2 van de Wet milieubeheer. De verdachte rechtspersoon heeft het ten laste gelegde ontkend en zich op het standpunt gesteld dat in de tenlastelegging genoemde containers geen afvalstof in de zin van de EVOA bevatten. De rechtbank zal daarom eerst de vraag moeten beantwoorden of de inhoud van de containers als afvalstof moeten worden aangemerkt. Afvalstoffen Op grond van wettige bewijsmiddelen staat buiten redelijke twijfel dat de goederen die overgebracht zijn of overgebracht hadden moeten worden afvalstoffen betroffen. De [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) heeft verklaard dat hij bij drie afvalbedrijven heeft gewerkt, waarna hij voor zichzelf is begonnen. Met betrekking tot het ontstaan van [bedrijf] verklaarde hij onder andere dat [naam 1] in het plasticafval wilde en dat [naam 1] hem heeft gevraagd om de inkoop en verkoop te doen. Het handelsregister vermeldt als bedrijfsactiviteit van de besloten vennootschap van de verdachte rechtspersoon, onder andere het voorbereiden van gesorteerd materiaal tot recycling en het recyclen van plastic afval en papier. Het vermeldt niets over het overbrengen van bijproducten of nieuwe producten. De handelsnaam van de verdachte rechtspersoon is [handelsnaam] . In de jaarrekening van de verdachte rechtspersoon over het jaar 2018 staat als beschrijving van de belangrijkste activiteiten van de rechtspersoon het importeren en exporteren van afvalplastic. Voor de transporten naar vier van de vijf landen waar de tenlastelegging betrekking op heeft (Nigeria, Thailand, Turkije, Zuid-Afrika) is een Annex VII opgemaakt. Het Annex VII-document wordt gebruikt voor de overbrenging van ‘groene-lijst’ afvalstoffen voor nuttige toepassing. Bij het opstellen van deze documenten was de verdachte telkens betrokken. Vak 9 van deze Annex VII-documenten vermeldt als stof die overgebracht diende te worden de termen LDPE, Scrap, Film (scrap), PVC (balen, regrind, cable regrind, cable scrap, plastic waste, mix color), Plastic Scrap (Plastic scrap LDPE 80/20), Plastic Waste (Plastic Waste & scrap in bales), PE & PP Film (PE Film, PP (Bigbags), PE folie 90/10). Dit zijn allemaal beschrijvingen die onderbouwen dat het gaat om afvalstoffen. Vak 10 van deze Annex VII-documenten vermeldt identificatiecodes die ook onderbouwen dat het gaat om afvalstoffen, namelijk codes uit Bijlage III, IIIA of IIIB van Verordening 1013/2006, zijnde Bazel-code 3010, OESO-code GH013, Euralcode 20.02.30 en Euralcode 19.12.04. Als producent van het afval (de zogenoemde Waste Generator) stond vaak [medeverdachte rechtspesoon] (zijnde [medeverdachte rechtspesoon] ) te [vestigingsplaats] vermeld. Door deze Annex VII-documenten op te stellen en bij het transport te voegen, geeft de opdrachtgever aan dat de over te brengen goederen afvalstoffen zijn. Op 20 augustus 2019 werden op het deel van het bedrijfsterrein van [medeverdachte rechtspesoon] , waar volgens een medewerker van [medeverdachte rechtspesoon] de materialen van [medeverdachte 1] en de verdachte rechtspersoon lagen, voorraden plasticafvalstoffen aangetroffen. De verdachte rechtspersoon, [medeverdachte rechtspesoon] , en [medeverdachte 1] zijn een samenwerkingsovereenkomst aangegaan op het gebied van kunststoffenhandel, die kennelijk een vastlegging bevat van een staande praktijk. In de overeenkomst garandeert de verdachte rechtspersoon onder meer dat zij zal voldoen aan alle wet- en regelgeving ter zake het transport van afvalstoffen, waaronder de EVOA en beschikt over de voor overbrenging vereiste EVOA-contracten. Ook staat erin dat [medeverdachte rechtspesoon] voor inkomende en uitgaande leveringen, conform de instructies van de verdachte rechtspersoon onder andere het VII-document verzorgt. Op de vraag wat [medeverdachte rechtspesoon] voor een soort bedrijf is, verklaarde de [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) dat [medeverdachte rechtspesoon] zich bezighoudt met de inzameling van reststoffen en de verwerking en vermarkting daarvan. Op de vraag of deze reststoffen afvalstoffen zijn, verklaarde hij bevestigend. Alle foto’s in het dossier van de stoffen die gepland stonden voor overbrenging en/of zijn overgebracht, tonen afvalstoffen. De stoffen die [medeverdachte 1] heeft overgebracht naar Nigeria, ontving hij van [naam 2] . [naam 2] betaalde [medeverdachte 1] om de eigendom van deze stoffen over te nemen. [medeverdachte 1] duidt dit op de factuur aan met ‘negatief ingekocht’ en verbindt hieraan dat zijn afnemer niet hoeft te betalen voor het transport. [medeverdachte 1] zet de factuur op ‘0’. Deze gang van zaken onderbouwt dat de stoffen afvalstoffen betroffen. Via whatsapp met de contactpersoon van [medeverdachte 1] in Nigeria wordt gecommuniceerd dat het gaat om PVC Regrind. Naar aanleiding van de stoffen die [medeverdachte 1] heeft willen overbrengen naar Turkije, vermeldt hij in een heimelijk afgeluisterd gesprek van 8 augustus 2019 het volgende: ‘Maar je ziet het nou. Iedereen dumpt zijn troep in Turkije. Er zijn niet veel landen meer over. Iedereen gaat naar Turkije en ook alle rotzooi gaat er naar toe. Dan krijg je dit soort taferelen. De Turkse overheid gaat dan ook een keer zeggen flikker lekker op. Weer hetzelfde tafereel als in China. Maar het komt eigenlijk door onszelf. We laden zelf allemaal die rotzooi er naar toe. De hele dag door. He, luister vriend, ik laad niet alleen mooi spul. Ik heb ook Turkse klanten die kopen alleen lage kwaliteit, vriend. Van die spul van hoe heet die nou, uit Ierland en zo. Je weet zelf dat is geen topkwaliteit. (…) Kijk hun verdienen er geld aan, maar het blijft troep he. Maar vriend, ik ben niet de enigste die dat doet he’ Deze omstandigheden tezamen maken dat de rechtbank tot de conclusie komt dat de in de tenlastelegging genoemde containers afvalstoffen bevatten in de zin van artikel 1:1 lid 1 van de Wet milieubeheer. De stelling van de verdediging dat er andere goederen in zouden zitten, komt niet overeen met de in het dossier aangetroffen documenten betreffende de specifieke overbrengingen. Weliswaar geldt daarbij dat die documenten inhoudelijk niet altijd overeenstemden, maar uit de vervoersdocumenten en de Annexen VII volgt steeds dat het om afvalstoffen ging. Er is ook nergens in het strafdossier voldoende aanwijzing dat de verdachte rechtspersoon zich (ook) bezighield met andere economische activiteiten dan weke verband hielden met afvalstoffen. [medeverdachte 1] heeft ter zitting foto’s en filmpjes getoond waarop naar eigen zeggen granulaat is te zien. Dat zou het product zijn dat vervoerd werd. De foto’s en het filmpje zijn echter niet concreet in verband te brengen zijn met een container die op een tenlastelegging staat. Los daarvan: gesteld is dat granulaat een zogenoemde eindeafvalstof is, oftewel een stof die niet langer heeft te gelden als afvalstof. Om als zodanig te worden aangemerkt, dient de stof te voldoen aan de vereisten in artikel 1:1 onder 6 van de Wet Milieubeheer (en overigens artikel 6 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen) Onder meer is vereist dat de afvalstoffen een behandeling van recycling of andere nuttige toepassing hebben ondergaan. Het dossier bevat geen enkel aanknopingspunt voor de stelling dat de vervoerde of te vervoeren goederen een dergelijke behandeling hebben ondergaan of overigens voldoen aan de in artikel 1:1 onder 6 Wet milieubeheer gestelde eisen. Alle stoffen waren dus (nog) afvalstof op de momenten waarop [medeverdachte 1] en de verdachte rechtspersoon deze overbrachten of planden over te brengen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen, zoals door de verdediging ter zitting is verzocht. De rechtbank stelt voorts vast dat uit het dossier en de daarin opgenomen bewijsmiddelen volgt dat de verdachte rechtspersoon en de medeverdachten betrokken zijn geweest bij de overbrenging van alle aan hen ten laste gelegde containers. Kennisgever en/of overbrenger, (mede)pleger De verdediging heeft betoogd dat de verdachte rechtspersoon ten aanzien van de zaaksdossiers Thailand (I & II), Nigeria, Turkije en Zuid-Afrika niet als overbrenger of kennisgever kan worden aangemerkt en ook niet als pleger of medepleger kan worden aangemerkt. Artikel 2 onder 35 van de EVOA is echter zo opgesteld dat het zich, mede gelet op artikel 2 onder 9 tot en met 14, richt tot een ieder die zich bezighoudt met de export van afval en in wiens macht het is om aan de (geplande) illegale overbrenging een einde te maken. Uit de wetgeving van de EVOA volgt dat voor de overbrengingen van de containers naar Thailand, Nigeria, Turkije en Zuid-Afrika de kennisgevingsprocedure van toepassing is. De kennisgeving had moeten worden gedaan door een onder de rechtsmacht van Nederland vallende natuurlijke dan wel rechtspersoon die voornemens is de afvalstoffen over te brengen of te laten overbrengen. Die verplichting rustte dus (mede) op de verdachte rechtspersoon. Blijkens het dossier zijn deze kennisgevingen echter niet gedaan. Zaaksdossier Thailand II De verdediging heeft betoogd dat uit het dossier volgt dat de containers in dit zaaksdossier als eindbestemming de Verenigde Staten hadden en dat de verdachte rechtspersoon – indien zij wel als kennisgever en/of overbrenger wordt aangemerkt – daarom voldeed aan de voorwaarden. De rechtbank acht deze stelling niet aannemelijk. De rechtbank wijst in dit verband op het Whatsappgesprek tussen [medeverdachte 1] en [naam 3] (hierna: [naam 3] ) van 3 december 2018 (AMB-105). [medeverdachte 1] vraagt daarin onder meer aan [naam 3] naar welke haven de container moet, waarop [naam 3] antwoordt: ‘Laem Chabang Thailand’. Op 5 december 2018 stuurt [medeverdachte 1] zelfs ‘because we ship to Thailand not USA.’ Van een tussentijdse wijziging van de bestemming, zoals door [medeverdachte 1] ter zitting is gesteld, blijkt niets, ook niet uit andere stukken van het dossier. Er is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien, geen noodzaak om [naam 3] als getuige te horen. Het voorwaardelijk verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen. Zaaksdossier Zuid-Afrika De verdediging heeft betoogd dat het zaaksdossier geen wettig en overtuigend bewijs bevat dat de verdachte rechtspersoon wist dat de betreffende container naar Zuid-Afrika zou worden overgebracht. De rechtbank acht de stelling van de verdediging dat op de Annex-VII-formulier Brazilië staat vermeld onvoldoende om aannemelijk te maken dat de verdachte rechtspersoon er enkel om die reden gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat het afval in de container ook naar Brazilië zou gaan, temeer nu op/in alle andere documenten in het dossier slechts gesproken wordt over Zuid-Afrika. De namens de verdachte rechtspersoon gedane verklaring hieromtrent is daarom ongeloofwaardig. EVOA-contracten Voor zover de verdediging en de bestuurder van de verdachte rechtspersoon, [medeverdachte 1] , hebben gesteld dat de benodigde contracten voor voornoemde overbrengingen wel degelijk aanwezig zijn (geweest), is de rechtbank van oordeel dat het dossier daarvan geen blijk geeft. Ook anderszins is niet gebleken van de aanwezigheid van de vereiste schriftelijke juridisch bindende EVOA-contracten tussen opdrachtgever van de overbrenging en de ontvanger voor de nuttige toepassing van de afvalstoffen. Dit verweer wordt verworpen. Medeplegen Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien van oordeel, is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier en het handelen van de verdachte rechtspersoon en haar bestuurder [medeverdachte 1] duidelijk blijkt dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met (onder andere) de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte rechtspesoon] om opzettelijk de in de tenlastelegging genoemde containers gevuld met afvalstoffen naar Nigeria, Thailand en Turkije over te brengen. De verdachte rechtspersoon zal ten aanzien van de feiten 4 en 5 van parketnummer 83/033771-22 en ten aanzien van parketnummer 83/176915-19 partieel vrij worden gesproken van het medeplegen, nu geen onderscheid kan worden gemaakt tussen de rol van de verdachte rechtspersoon en die van haar bestuurder [medeverdachte 1] . Opzet Het verweer dat het ten laste gelegde opzet als boos opzet moet worden begrepen vindt geen steun in de wetsgeschiedenis of jurisprudentie. Ook de complexiteit van de EVOA-wetgeving is niet van invloed op bewezenverklaring van het opzet op de ten laste gelegde handelingen. Toerekening aan de rechtspersoon De rechtbank stelt voorop dat een rechtspersoon als dader van een strafbaar feit kan worden aangemerkt indien de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Voor de beantwoording van de vraag of een gedraging redelijkerwijs aan een rechtspersoon kan worden toegerekend, is het van belang vast te stellen of deze gedragingen zijn verricht in de sfeer van die rechtspersoon. De rechtbank is van oordeel dat de hierboven bewezen gedragingen zonder meer aan de verdachte rechtspersoon. kunnen worden toegerekend, omdat de hiervoor omschreven bewezen gedragingen niet zonder medewerking van de verdachte rechtspersoon konden worden gepleegd. De handelingen ten aanzien van de afvalstoffen passen in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon als recyclingbedrijf en verzamelaar van afvalstoffen, en zijn de rechtspersoon dienstig geweest in het door haar uitgeoefende bedrijf. De verdachte rechtspersoon had het in haar macht of de gedragingen al dan niet zou plaatsvinden. 5.1.3. Conclusie Bewezen is het onder parketnummer 83/033771-22 onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde en het onder parketnummer 83/176915-19 ten laste gelegde. 5.2. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte rechtspersoon het onder parketnummer 83/033771-22 onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde en het onder parketnummer 83/176915-19 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: Parketnummer: 83/033771-22 1. Feit 1 (ZD Thailand I en Thailand II) zij in of omstreeks de periode van 22 november 2018 tot en met 22 februari 2019 te Uithoorn en/of Venlo en/of Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, meermalen, althans eenmaal, (een) handeling(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.