Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 83/079842-22 Datum uitspraak: 22 juli 2025 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres], raadsman mr. J. Klein Molekamp, advocaat te ‘s-Gravenhage. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 2 juli 2025, 3 juli 2025 en 22 juli 2025. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. S.M. van der Kallen heeft gevorderd: bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis indien deze niet naar behoren wordt verricht. 4Verweer op grond van artikel 359a Wetboek van Strafvordering (Sv) 4.1.1. Standpunt verdediging De verdediging heeft betoogd dat in onderhavig dossier geen sprake is geweest van een situatie als bedoeld in artikel 27 Sv, zodat het strafrechtelijk onderzoek naar de verdachte geen grondslag kende en onrechtmatig is uitgevoerd. De objectieve verdenking die daarvoor vereist is, ontbrak. Al de resultaten van verder onderzoek naar de verdachte moeten worden uitgesloten van het bewijs. 4.1.2. Beoordeling Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het dossier duidelijk vermeldt op grond waarvan het onderzoek is gestart, heeft plaatsgevonden en waarop de verdenking van de verdachte was gestoeld. Daaruit vloeit een redelijk vermoeden van schuld aan strafbare feiten voort. Het verweer wordt verworpen. 5Waardering van het bewijs 5.1. Bewijswaardering ten aanzien van feit 1 5.1.1. Standpunt verdediging De verdediging heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 ten laste gelegde. De arbeidsovereenkomst was niet vals. De enkele omstandigheden dat de overeenkomst niet steeds of precies overeenkomt met de feitelijke situatie maakt dit niet anders. De verdachte heeft wel degelijk in dienstverband werkzaamheden verricht voor de onderneming van haar echtgenoot en daarvoor salaris ontvangen. Zij heeft op geen enkel moment het oogmerk gehad om op basis van een valse arbeidsovereenkomst geld uit de onderneming te onttrekken. Zij heeft daarom geen opzet gehad op het ten laste gelegde. Daarnaast ontbreekt het temporele en causale verband tussen de vermeende valse arbeidsovereenkomst en het uitkeren van het salaris, omdat niet de arbeidsovereenkomst maar andere gronddelicten het criminele geld genereerde. Voor zover de tenlastelegging beoogt die andere delicten als gronddelict te hanteren voor feit 1, geldt dat zij geen wetenschap had of kon hebben van die strafbare feiten. 5.1.2. Beoordeling De rechtbank stelt vast dat er een arbeidsovereenkomst bestond tussen de verdachte en het bedrijf van haar echtgenoot, [medeverdachte rechtspersoon] (hierna: [medeverdachte rechtspersoon]). Deze arbeidsovereenkomst is valselijk opgemaakt en de verdachte en de medeverdachte, haar man, wisten dat. Voor de verdachte blijkt dit onder andere uit haar uitlating tijdens de doorzoeking van haar de woning, inhoudende dat zij niets te maken heeft met de zaken van haar man en dat zij niet werkt (AMB-058). In een tapgesprek met haar man verklaart zij ook dat zij niet meer heeft gewerkt sinds zij samenwoont met haar man (TAP-017). Bovendien betreft de arbeidsovereenkomst een dienstverband voor de duur van 40 uren, voor administratieve werkzaamheden. De verdachte heeft verder verklaard dat zij geen administratieve werkzaamheden heeft verricht en slechts zeer beperkt – niet in de buurt komend van 40 uur per week – ‘iets deed’ voor de onderneming, zoals klanten wegbrengen en een vergeefse poging om bekendheid te genereren via social media. Die gestelde minimale werkzaamheden zijn niet onderbouwd, blijken niet uit het strafdossier en behoren ook overigens niet tot de taken in de arbeidsovereenkomst. In 406 tapgesprekken tussen de verdachte en haar man wordt nooit gesproken over feitelijke werkzaamheden door de verdachte en aangetroffen e-mails verstuurd aan haar e-mailadres worden enkel rechtstreeks doorgestuurd naar het e-mailadres van haar man. De verdachte deed dus geen feitelijke werkzaamheden voor [medeverdachte rechtspersoon] en de arbeidsovereenkomst is vals. Vast staat dat de verdachte op haar bankrekening geld heeft ontvangen uit hoofde van voormelde, valse arbeidsovereenkomst. Dit betekent dat de verdachte geld (salaris) heeft ontvangen waarvan zij wist dat dit een criminele herkomst had, te weten: valsheid in geschrift. Daarmee is het opzet op het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Er is tevens sprake van medeplegen, omdat de verdachte de arbeidsovereenkomst met haar echtgenoot heeft opgesteld en zij beiden op de hoogte waren van de valsheid daarvan. Dat de verdachte wist of moest vermoeden dat die gelden ook een criminele herkomst hadden omdat [medeverdachte rechtspersoon] strafbare feiten pleegde, is niet wettig en overtuigend bewezen. Zie ook hierna onder feit 2. 5.1.3. Conclusie Het onder feit 1 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen. 5.2. Vrijspraak ten aanzien van feit 2 5.2.1. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft betoogd dat uit het dossier volgt dat de verdachte de beschikking had over grote contante geldbedragen. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat de verdachte en haar echtgenoot voor een bedrag van € 59.104,70 meer aan werkelijke contante uitgaven inclusief bankstortingen hebben gedaan, dan op basis van legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen voorhanden was. Het vermoeden bestaat dat het onverklaarbare vermogen afkomstig is uit misdrijf. Daarnaast is een aantal witwasindicatoren aanwezig. Het vermoeden is door de verdachte onvoldoende weerlegd. Deze misdrijven hebben mogelijk samenhang met de EVOA-misdrijven die in het onderzoek Carnaliet zijn beschreven. De verdachte en haar echtgenoot hebben de geldbedragen, die vermengd zijn met legaal vermogen, omgezet dan wel daarvan gebruik van gemaakt door er onder andere (luxe) goederen van te hebben gekocht. Aangezien de verdachte samenwoonde met haar echtgenoot en een economische eenheid met hem vormde, mag worden aangenomen dat zij wist dat de geldbedragen van misdrijf afkomstig waren. In ieder geval had zij dat redelijkerwijs kunnen vermoeden. Gelet op het vorenstaande is tevens sprake van medeplegen. 5.2.2. Beoordeling Uit het dossier volgt niet zonder redelijke twijfel dat de verdachte wist, dan wel had moeten vermoeden dat haar echtgenoot of zijn bedrijven zich niet hielden aan de EVOA-wetgeving of anderszins criminele handelingen verrichte waaruit deze inkomsten voortvloeiden. De enkele omstandigheid dat zij samenwoonde met haar echtgenoot en een economische eenheid met hem vormde is onvoldoende om dit te concluderen. Andere aanwijzingen in het strafdossier ontbreken. Nergens uit het dossier volgt (afdoende) dat zij bemoeienis of kennis had van de criminele bedrijfshandelingen van (de bedrijven van) haar man. Voorts leidt de rechtbank uit de eenvoudige kasopstelling af dat het kasoverschot grotendeels ook bestaat uit zakelijke uitgaven van (de bedrijven van) haar man. De hoogte van de overige uitgaven is niet dusdanig substantieel dat de verdachte daaruit kon afleiden, dan wel had moeten vermoeden dat deze gelden redelijkerwijs van misdrijf afkomstig waren. De rechtbank zal daarom de verdachte vrijspreken van het onder feit 2 ten laste gelegde. 5.2.3. Conclusie Het onder 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. 5.3. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1. Zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 1 september 2019 te Uithoorn en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, voorwerpen, te weten een of meer geldbedragen, heeft omgezet en/of van deze voorwerpen gebruik heeft gemaakt, immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.