← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2025:9872

Rechtbank Rotterdam Team insolventie voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk rekestnummers: [nummers] uitspraakdatum: 7 februari 2025 [verzoeker] , wonende te [adres] [postcode] [woonplaats], verzoeker. 1De procedure Verzoeker heeft op 17 januari 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad. In het vonnis van deze rechtbank van 20 januari 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 3 februari

  1. Ter zitting van 3 februari 2025 zijn verschenen en gehoord: verzoeker; mevrouw I.S.K. van Daele, werkzaam bij Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening); [naam], werkzaam bij Stichting Woonstad Rotterdam, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster). De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden. 2Het verzoek Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 maart 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen. De kale huur van de woning bedraagt € 398,98 per maand. Verzoeker heeft een (aanvullende) bijstandsuitkering en heeft een arbeidscontract op oproepbasis. Daarnaast ontvangt verzoeker € 240,-- per maand aan huurtoeslag. Het inkomen van verzoeker is toereikend om de lopende huurtermijnen voldoen. Verzoeker heeft de huur over januari 2025 op 16 januari 2025 betaald en heeft ter zitting verklaard dat de huur over februari 2025 ook is betaald. Verzoeker heeft zich gemeld bij de Kredietbank Rotterdam en budgetbeheer is opgestart. Hierdoor is voldoende aannemelijk dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat zij verwachten in februari 2025 alle stukken compleet te hebben zodat de schulddienstverlening gestart kan worden.
  2. Het verweer Verweerster heeft ter zitting verklaard dat zij al meerdere stappen heeft ondernomen om verzoeker te helpen. Zij heeft vijf meldingen gedaan bij het wijkteam. Verzoeker is gemaakte afspraken niet nagekomen. Onlangs, namelijk in september 2024, is verzoeker door verweerster nog verwezen naar het ETF, maar hij was niet bereid om de benodigde stukken aan te leveren. Verweerster hoopt dat verzoeker de hulp serieus gaat oppakken. Ter zitting heeft verweerster verklaard dat zij in januari 2025 drie betalingen heeft ontvangen van in totaal € 900,--. Deze betalingen hebben betrekking op de huur van januari 2025 en februari
  3. Verweerster refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. 4De beoordeling Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 maart 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 18 december 2024 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 21 januari 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie. De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen. Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds. Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen. Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 7 maart 2024 ten uitvoer kan leggen. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft een (aanvullende) bijstandsuitkering en een arbeidscontract op oproepbasis. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen tijdig te voldoen. De huur van januari 2025 is, weliswaar te laat, betaald en de huur over februari 2025 is ook betaald. Verweerster heeft dit ter zitting bevestigd. Verzoeker heeft hulp gezocht om tot een oplossing te komen voor zijn schulden en schuldhulpverlening heeft aangegeven dat hij zich daar actief in op stelt. Het budgetbeheer is inmiddels opgestart waardoor voldoende is gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan. Verzoeker begrijpt dat hij de hulp moet accepteren en dat dit zijn laatste kans is. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster. De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen. Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen. 5De beslissing De rechtbank: - schort de tenuitvoerlegging op van het op 7 maart 2024 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening; - bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 20 januari 2025; - bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan; - bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw; - verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw. Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen, rechter, en in aanwezigheid van I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.