Rechtbank Rotterdam Team insolventie Rekestnummer: [nummer] Uitspraak: 29 april 2025 BESCHIKKING op het op 1 april 2025 ingekomen verzoekschrift, met bijlage(n), van: de private limited company [verzoekster] , gevestigd te [vestigingsplaats] , [land] , verzoekster, advocaat mr. M. Hamidy, strekkende tot faillietverklaring van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verweerster] , [vestigingsadres] [postcode] [woonplaats] , statutair gevestigd te [plaats] , verweerster, advocaat mr. B.D. Bos. 1De procedure De rechtbank heeft de behandeling van het ingekomen verzoekschrift bepaald op 22 april
- Bij brief met bijlagen van 18 april 2025 heeft mr. B.D. Bos stukken toegezonden waarop tijdens de zitting namens verweerster een beroep wordt gedaan. Op de zitting van 22 april 2025 zijn verschenen en gehoord: mr. M. Hamidy, advocaat van verzoekster; mr. I. Grimm, kantoorgenoot van mr. Hamidy; mr. B.D. Bos, advocaat van verweerster; de heer [persoon A] , (indirect) bestuurder van verweerster. Daarnaast zijn via een digitale verbinding verschenen: de heer [persoon B] , director bij verzoekster; mevrouw [persoon C] , Chief Marketing Officer bij verzoekster. Tijdens de zitting zijn door mr. Hamidy aanvullende stukken overgelegd. Door mr. Bos zijn tijdens de zitting pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen. De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden. 2Standpunt van partijen Standpunt verzoekster Verzoekster heeft gesteld dat zij over de periode februari 2023 tot en met mei 2023 een opeisbare vordering heeft op verweerster van € 333.266,
- In deze periode heeft verweerster aanzienlijke hoeveelheden (onder)kleding gekocht bij verzoekster en de afgenomen (onder)kleding is reeds gedeeltelijk aan verweerster geleverd. De koopovereenkomsten bevatten een betalingsafspraak die inhoudt dat 40% van iedere bestelling als voorschot op het totale factuurbedrag wordt voldaan. De betalingstermijnen zijn verstreken. Verzoekster heeft een door verweerster op 2 juli 2023 aan haar voorgesteld alternatief betalingsplan geaccepteerd. Ook het alternatieve betalingsplan is door verweerster niet nagekomen. Verder laat verweerster ook andere schuldeisers onbetaald. Verweerster heeft namelijk ook een schuld aan de verhuurder van het bedrijfspand, [persoon D] . Verzoekster heeft ter zitting een aantal facturen van de verhuurder overgelegd. Daarnaast blijkt dat sprake is van pluraliteit uit het openbare faillissementsverslag van 14 maart 2025 in het faillissement van [bedrijf X] . In 8.8 van het verslag staat: “Veel crediteuren hebben een vordering ingediend via claimsagent, echter deze vorderingen zien op bestellingen van klanten via [verweerster] ”. Standpunt verweerster Verweerster heeft het vorderingsrecht van verzoekster, althans de opeisbaarheid daarvan, gemotiveerd betwist. Partijen hebben op 3 maart 2023 een framework agreement (hierna: de overeenkomst) gesloten en in artikel 1 van de overeenkomst zijn de General Purchase and Order Conditions (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing verklaard. In artikel 12.1 van de algemene voorwaarden is bepaald dat betaling zal plaatsvinden na levering van de gekochte goederen. Dat verzoekster in haar facturen vermeldt dat verweerster een aanbetaling moet doen van 40% van het orderbedrag en dat de resterende 60% moet worden betaald voor shipment is niet tussen partijen overeengekomen. Ook betwist [verweerster] dat op 2 juli 2023 afwijkende betalingsafspraken zijn gemaakt. Verweerster heeft betwist dat sprake is van pluraliteit. Wat in het door verzoekster overlegde faillissementsverslag in het faillissement van [bedrijf X] . staat vermeld, is niet juist. Het klopt dat door het in het najaar van 2024 ingevoerde pre-order-concept onrust is ontstaan onder consumenten. Echter, een en ander is inmiddels weer op orde. Consumenten die hebben betaald en om terugbetaling hebben verzocht, hebben hun geld terug ontvangen of zij hebben een alternatief product uitgezocht. Ten aanzien van de steunvordering van de verhuurder heeft verweerster erkend dat de facturen van de verhuurder over de maanden maart en april 2025 nog moeten worden betaald, maar dat er een discussie loopt met de verhuurder. Verweerster heeft zich verder, los van haar inhoudelijke argumenten, op het standpunt gesteld dat verzoekster niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat zij met het faillissementsverzoek tracht misbruik te maken van het faillissementsrecht. Verzoekster gebruikt het faillissementsverzoek slechts om verweerster aan de onderhandelingstafel te krijgen teneinde een aanzienlijk bedrag betaald te krijgen zonder dat daarvoor een rechtsgrond bestaat althans zonder dat verzoekster daarop al aanspraak kan maken. Ter onderbouwing heeft verweerster aangevoerd dat verzoekster eerder in april 2024 het faillissement van verweerster heeft verzocht. Dit verzoek is uiteindelijk ingetrokken. Vervolgens is op 20 december 2024 een dagvaarding aan verweerster betekend, maar deze is uiteindelijk niet aangebracht door verzoekster. Deze gang van zaken illustreert dat verzoekster zich lijkt te realiseren dat over het bestaan of de opeisbaarheid van de door haar gestelde vordering in een bodemprocedure zou kunnen worden gediscussieerd. Verweerster heeft de rechtbank verzocht het faillissementsverzoek af te wijzen met veroordeling van verzoekster in de kosten van het geding. 3De beoordeling Beoordelingskader Ingevolge artikel 6 van de Faillissementswet wordt de faillietverklaring uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen, indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers, terwijl tenminste één vordering opeisbaar is. Niet summierlijk gebleken van een vorderingsrecht Tijdens de behandeling van het faillissementsverzoek had na een kort, eenvoudig onderzoek van het vorderingsrecht van verzoekster en de opeisbaarheid daarvan moeten blijken. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen al geruime tijd een discussie loopt over welke betalingscondities van toepassing zijn. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat 40% moet worden betaald bij het plaatsen van een bestelling en 60% bij verzending en dat dit blijkt uit haar facturen. Hoewel dergelijke betalingsvoorwaarden niet ongebruikelijk zijn, stelt de rechtbank vast dat uit de tussen partijen gesloten framework agreement en de daarbij horende algemene voorwaarden volgt dat betaling bij aflevering plaatsvindt. De rechtbank stelt vast dat op 3 maart 2023 de framework agreement tussen partijen is gesloten en dat niet dan wel onvoldoende is gebleken dat op een later moment door partijen nadere afspraken zijn gemaakt. De rechtbank kan in deze procedure niet vaststellen dat verzoekster terecht aanspraak maakt op betaling van een bedrag van € 333.266,
- Verzoekster is er onvoldoende in geslaagd aan te tonen dat de betwisting van de vordering door verweerster aanstonds verworpen dient te worden. Op basis van summierlijk onderzoek kan thans niet worden geconcludeerd dat de betwisting van verweerster in een bodemprocedure zonder redelijke kans van slagen is. Voor nader onderzoek naar de feiten en de juridische betekenis is in een faillissementsprocedure geen ruimte. Dit maakt dat de rechtbank op dit moment niet kan uitgaan van het vorderingsrecht van verzoekster, zodat het verzoek tot faillietverklaring reeds op die grond zal worden afgewezen. Aan de beoordeling van hetgeen over en weer is aangevoerd ten aanzien van pluraliteit en misbruik van recht komt de rechtbank in verband met het voorgaande niet toe. Proceskosten De rechtbank zal verzoekster bij deze stand van zaken in de proceskosten veroordelen. Hoewel in een verzoekschrift tot faillietverklaring vorderingen met hun waarde moeten worden vermeld, betreft een faillietverklaring een zaak van onbepaalde waarde. De advocaat van verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de mondelinge behandeling bijgewoond. De proceskosten zullen dan ook worden vastgesteld op 2 punten maal tarief II in eerste aanleg = € 1.228,-- (overeenkomstig het Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven). 4De beslissing De rechtbank: - wijst af het verzoek tot faillietverklaring; Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Franken, rechter, en in aanwezigheid van A. Vervoorn, griffier, in het openbaar uitgesproken op 29 april 2025 te 10:00 uur. Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.