← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2026:1100

RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/699483 / HA ZA 25-396 Vonnis van 28 januari 2026 de rechtspersoon naar vreemd recht BRABO HVACRS INTERNATIONAL SERVICES, gevestigd te Ras Al Khaimah, Verenigde Arabische Emiraten, eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident, advocaat mr. D.A. Beck te Leiden, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BRABO ENTERPRISES B.V., gevestigd te Vlaardingen, gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident, advocaat mr. I. Lankester te 's-Hertogenbosch. Partijen worden hierna Brabo Dubai en Brabo Nederland genoemd. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het incidenteel vonnis van 3 september 2025 van deze rechtbank en de in dat vonnis genoemde processtukken, - het bericht van Brabo Dubai, met producties 12 tot en met 15, binnengekomen op 15 oktober 2025, - de akte uitlatingen na vonnis in incident van Brabo Nederland (hierna: de akte), op de rol van 15 oktober
  2. 1.
  3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling 2.
  4. De rechtbank heeft bij vonnis in het incident van 3 september 2025 Brabo Dubai veroordeeld om uiterlijk op 1 oktober 2025, op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak, ten behoeve van Brabo Nederland zekerheid te stellen voor de proceskosten voor een bedrag van € 13.173,
  5. Brabo Dubai moest de rechtbank en de advocaat van Brabo Nederland hierover binnen één week na het stellen van de zekerheid informeren. In het vonnis is ook bepaald dat Brabo Nederland zich op de rol van 15 oktober 2025 bij akte moet uitlaten over de vraag of Brabo Dubai de zekerheid heeft gesteld. 2.
  6. In haar bericht van 15 oktober 2025 heeft Brabo Dubai laten weten dat de Ondernemingsrechtbank in Antwerpen Brabo Nederland, bij vonnis, – voor zover relevant – heeft veroordeeld tot staking van het gebruik van tekens die verwarring stichten met het door Brabo Dubai gedeponeerde Benelux-beeldmerk, onder verbeurte van een dwangsom voor elke inbreuk. Brabo Dubai stelt dat Brabo Nederland sinds 21 september 2025 al € 57.500,00 aan dwangsommen heeft verbeurd en dat Brabo Nederland een eventuele proceskostenveroordeling aan de zijde van Brabo Dubai kan verrekenen met de verbeurde dwangsommen. Brabo Dubai was niet eerder in de gelegenheid om de rechtbank en de advocaat van Brabo Nederland hiervan op de hoogte te stellen, omdat zij pas een dag voor het indienen van haar bericht bij deze rechtbank het certificaat heeft ontvangen van de Belgische rechtbank waarin is vastgesteld dat de dwangsommen zijn verbeurd. 2.
  7. Brabo Nederland verzoekt de rechtbank om Brabo Dubai niet-ontvankelijk te verklaren in de hoofdzaak en om Brabo Dubai, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen in de proceskosten van de hoofdzaak en van het incident, vermeerderd met rente en nakosten. Brabo Nederland stelt dat Brabo Dubai geen zekerheid heeft gesteld en dat een verrekenbare tegenvordering geen zekerheid is in de zin van artikel 6:51 lid 2 BW, omdat een dergelijke vordering onzekerheid laat bestaan over de verhaalbaarheid van de proceskosten. Het vonnis van de Ondernemingsrechtbank ziet op meerdere entiteiten, waardoor het risico bestaat dat een van de andere entiteiten de dwangsommen voldoet en Brabo Nederland zo geen verrekenbare vordering heeft. Bovendien betwist Brabo Nederland dat de dwangsommen zijn verbeurd. 2.
  8. De rechtbank verklaart Brabo Dubai niet-ontvankelijk in de hoofdzaak, omdat zij geen zekerheid heeft gesteld. Volgens artikel 6:51 lid 2 BW dient zekerheid zodanig zijn, dat de vordering en, zo daartoe gronden zijn, de daarop vallende rente en kosten behoorlijk gedekt zijn en dat de schuldeiser daarop zonder moeite verhaal zal kunnen nemen. Een verrekenbare tegenvordering die bestaat uit verbeurde dwangsommen uit hoofde van een Belgisch vonnis biedt geen zekerheid waarop de schuldeiser, in dit geval (mogelijk) Brabo Nederland, zonder moeite verhaal kan nemen. Het is niet vast komen te staan dat Brabo Nederland dwangsommen heeft verbeurd, nu zij dit heeft betwist. Bovendien bestaat het risico dat andere veroordeelde entiteiten de dwangsommen zullen betalen aan Brabo Dubai, waardoor de aangeboden zekerheid wegvalt voor Brabo Nederland. Deze aangeboden zekerheid gaat geheel voorbij aan de bedoeling van de in de wet opgenomen verplichting tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten. Gelet op het voorgaande wordt Brabo Dubai niet-ontvankelijk verklaard in de hoofdzaak. 2.
  9. Brabo Dubai wordt als de in het ongelijk gestelde partij, in zowel de hoofdzaak als in het incident, in de proceskosten veroordeeld. De kosten van Brabo Dubai worden begroot op: - griffierecht € 6.861,00 - salaris advocaat € 921,00 (1,5 punt x tarief II à € 614,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 7.960,00 2.
  10. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 3De beslissing De rechtbank 3.
  11. verklaart Brabo Dubai niet-ontvankelijk in haar vordering, 3.
  12. veroordeelt Brabo Dubai in de proceskosten van het incident en van de hoofdzaak van € 7.960,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Brabo Dubai niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.
  13. veroordeelt Brabo Dubai tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 3.
  14. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. D.L. Spierings. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.3961/2459

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.