← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2026:1144

RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/11450 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2026 in de zaak tussen [voormalige naam eiseres] , thans [huidige naam eiseres] ., uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen), en [verweerder] (gemachtigde: mr. D.J. van der Bij). Samenvatting

  1. Deze uitspraak gaat over de bestuurlijke boete van € 2.500,- die [verweerder] met het besluit van 2 augustus 2024 aan eiseres heeft opgelegd vanwege twee overtredingen van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de opgelegde boete. 1.
  2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat [verweerder] de boete terecht aan eiseres heeft opgelegd en dat de hoogte van de boete evenredig is. [verweerder] is echter de verplichting van artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet nagekomen. De rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop
  3. Met het bestreden besluit van 12 december 2024 op het bezwaar van eiseres is [verweerder] bij het boetebesluit gebleven. 2.
  4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.
  5. [verweerder] heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.
  6. De rechtbank heeft het beroep op 6 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van [verweerder] . Eiseres en haar gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Totstandkoming van het besluit
  7. [verweerder] heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen van 12 juni 2024 ( [rapportnummer] ) opgemaakt door een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. 3.
  8. Op 12 juli 2024 heeft [verweerder] zijn voornemen kenbaar gemaakt om aan eiseres een bestuurlijke boete op te leggen. Eiseres heeft geen zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. 3.
  9. Bij besluit van 2 augustus 2024 (boetezaaknummer [zaaknummer] ) heeft [verweerder] aan eiseres een bestuurlijke boete van € 2.500,- opgelegd vanwege de volgende beboetbare feiten: 1) De vorming van condens op oppervlakken werd niet voorkomen. 2) Levensmiddelen werden niet in alle stadia van de productie, verwerking en distributie beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor het vlees ongeschikt kan worden voor menselijke consumptie, schadelijk kan worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kan worden verontreinigd dat het redelijkerwijze niet meer in die staat kan worden geconsumeerd. Volgens [verweerder] heeft eiseres daarmee overtredingen begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling dierlijke producten, in verbinding met artikel 4, tweede lid, van de Verordening (EG) 852/2004 in verbinding met Bijlage II, hoofdstuk I, punt 2b, van die verordening respectievelijk hoofdstuk IX, onder 3, van die verordening. Vanwege de samenhang heeft [verweerder] voor de twee overtredingen tezamen het boetebedrag horende bij het beboetbare feit 2 opgelegd. 3.
  10. Met het bestreden besluit is [verweerder] bij het boetebesluit gebleven. Beoordeling door de rechtbank
  11. Eiseres voert aan dat [verweerder] haar ten onrechte niet heeft gewezen op het recht op rechtsbijstand. Ook heeft eiseres erop gewezen dat de eerdere waarschuwingen ten onrechte pas bij de beslissing op bezwaar voor de eerste keer aan de gemachtigde van eiseres zijn toegezonden. Verder voert eiseres aan dat het haar onduidelijk is welk verwijt [verweerder] haar maakt. Zij ontkent dat sprake is geweest van een overtreding.
  12. Tussen partijen is niet in geschil dat de schriftelijke waarschuwingen van 19 december 2023 en 15 januari 2024 niet in het bezwaardossier zaten op het moment van de hoorzitting in bezwaar, maar dat deze zijn meegestuurd met het bestreden besluit. 5.
  13. Op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moeten voorafgaand aan de hoorzitting in bezwaar alle op de zaak betrekking hebbende stukken voor belanghebbenden ter inzage worden gelegd. Ingevolge artikel 7:4, vierde lid, van de Awb kunnen belanghebbenden afschriften hiervan verkrijgen. 5.1.
  14. De waarschuwingen zijn naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als op de zaak betrekkende stukken, temeer nu de waarschuwingen in dit geval een voorwaarde waren om de boete te kunnen opleggen, zoals de gemachtigde van [verweerder] op de zitting ook heeft bevestigd. Namens [verweerder] is hierbij opgemerkt dat het gaat om mondelinge waarschuwingen die schriftelijk zijn bevestigd. Dat laat echter onverlet dat het hier gaat om op de zaak betrekking hebbende stukken, die ten onrechte niet in het bezwaardossier zaten. 5.1.
  15. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. In dit artikel is bepaald dat een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand kan worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Dat eiseres door dit gebrek is benadeeld, is niet aannemelijk. De rechtbank betrekt daarbij dat de gemachtigde van eiseres in de beroepsfase heeft nagelaten om de waarschuwingen inhoudelijk te bestrijden.
  16. De overige beroepsgronden slagen niet. [verweerder] was niet verplicht om eiseres te wijzen op haar recht op rechtsbijstand, omdat er geen verhoorsituatie heeft plaatsgevonden. Verder biedt het rapport van bevindingen en het daarbij behorende filmpje het bewijs van de overtredingen. Dat het onduidelijk zou zijn welke verwijten [verweerder] eiseres maakt, kan de rechtbank gelet op het rapport van bevindingen, het boetebesluit en het bestreden besluit niet volgen. Eiseres heeft geen gronden aangevoerd over de hoogte van de boete. Zij heeft ook geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de hoogte van de boete onevenredig moet worden geacht. Daarom heeft [verweerder] geen aanleiding hoeven zien om met toepassing van artikel 5:46, derde lid, van de Awb af te wijken van het wettelijk stelsel van gefixeerde boetes. Conclusie en gevolgen
  17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het boetebesluit in stand blijft. [verweerder] moet wel het griffierecht aan eiseres vergoeden vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Eiseres krijgt om die reden ook een vergoeding van haar proceskosten. [verweerder] moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - bepaalt dat [verweerder] het griffierecht van € 371 aan eiseres moet vergoeden; - veroordeelt [verweerder] tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.J. Bos, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 februari
  18. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.