← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2026:1362

RECHTBANK ROTTERDAM locatie Dordrecht zaaknummer: 12053291 VV EXPL 26-5 datum uitspraak: 16 februari 2026 Vonnis in kort geding van de kantonrechter in de zaak van [eiser] , woonplaats: [woonplaats] , eiser, gemachtigde: mr. H.J.A. Jansen, tegen CITT B.V., vestigingsplaats: Dordrecht, gedaagde, die niet is verschenen. Partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘CITT’ genoemd. 1De procedure 1.

  1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: - de dagvaarding van 16 januari 2026, met bijlagen. 1.
  2. Op 2 februari 2026 is de zaak tijdens een zitting met [eiser] en zijn gemachtigde besproken. CITT is niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend. 2De beoordeling 2.
  3. [eiser] is van 14 april 2025 tot en met 13 december 2025 bij CITT in dienst geweest. CITT heeft het salaris over de periode juni 2025 tot en met 13 december 2025 niet betaald. [eiser] vordert daarom betaling van € 19.812,08 bruto aan achterstallig loon, vermeerderd met wettelijke verhoging, rente, afgifte van loonstroken op straffe van een dwangsom en proceskosten. 2.
  4. De vordering komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, en zal worden toegewezen. Wel wordt aanleiding gezien de gevorderde dwangsommen voor afgifte van de loonstroken te matigen tot € 25,- per dag, met een maximum van € 2.500,-. 2.
  5. De proceskosten komen voor rekening van CITT omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). De kantonrechter begroot de kosten die CITT aan [eiser] moet betalen op € 151,94 aan dagvaardingskosten, € 753,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.625,
  6. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. Uitvoerbaar bij voorraad 2.
  7. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als CITT in verzet komt tegen dit vonnis en aan een andere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. 3De beslissing De kantonrechter: 3.
  8. veroordeelt CITT om aan [eiser] te betalen: - € 19.812,08 bruto loon over de periode juni 2025 tot en met 13 december 2025, vermeerderd met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW, te berekenen vanaf het moment dat de maandbedragen opeisbaar zijn geworden, tot de dag van volledige betaling; - € 9.906,04 bruto aan wettelijke verhoging wegens vertraging over het aan [eiser] toekomende loon zoals bedoeld in artikel 7:625 BW. 3.
  9. veroordeelt CITT om binnen een maand nadat dit vonnis is betekend loonstroken aan [eiser] te verstrekken over de maanden juni 2025 tot en met december 2025, op straffe van een dwangsom van € 25,- per dag dat CITT niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 2.500,-; 3.
  10. veroordeelt CITT in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.625,94; 3.
  11. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.
  12. wijst af het anders of meer gevorderde. Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken. 53954

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.