← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2026:1486

RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11366201 CV EXPL 24-26432 datum uitspraak: 13 februari 2026 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van [eiseres] , vestigingsplaats: [vestigingsplaats] , [regio] (Iran), eiseres, gemachtigde: mr. J.V. Blokland, tegen [gedaagde] , woonplaats: [woonplaats] , gedaagde, die zelf procedeert. De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1De procedure 1.

  1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 14 oktober 2024, met bijlagen; het antwoord, met bijlagen; de repliek, met bijlagen. 1.
  2. Op 15 januari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig de heer [persoon A] namens [eiseres] met de gemachtigde en [gedaagde] . 2De beoordeling Waar gaat de zaak over? 2.
  3. [eiseres] eist van [gedaagde] betaling van een factuur van 20 februari 2022 van € 21.371,70 voor de levering van een partij natuursteen. [gedaagde] neemt wisselende standpunten in. Voor alle standpunten geldt dat hij die onvoldoende heeft onderbouwd. Daarom moet hij de factuur voor de natuursteen van € 21.371,70, met boete, rente en kosten aan [eiseres] betalen. Hierna wordt uitgelegd waarom. Verweren 2.
  4. In de conclusie van antwoord, die is opgesteld door zijn voormalig advocaat, erkent [gedaagde] de bestelling van de partij natuursteen bij [eiseres] , de hoogte van de prijs, de betaalafspraken en de levering en ontvangst op 20 februari
  5. Het verweer is dat hij al heeft betaald: ‘Gedaagde heeft vervolgens de betalingstermijnen rechtstreeks in Iran betaald via een bevriende relatie die ter plaatse de betalingen heeft verricht. Immers gedaagde kan geen rechtstreekse betalingen naar Iran verrichten in verband met de restricties die daarvoor gelden vanuit Nederland. Er kan vanuit Nederland geen betaling worden verricht naar Iran. Andere mogelijkheden waren er ook niet voor gedaagde om te betalen.’ [eiseres] heeft betwist dat zij een betaling heeft ontvangen. Het is dan aan [gedaagde] om te laten zien dat hij wel heeft betaald. Dat heeft hij echter niet gedaan. Daarom kan niet worden vastgesteld dat de factuur is betaald. 2.
  6. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] verschillende verklaringen gegeven. Die waren onduidelijk, onsamenhangend en ook tegenstrijdig aan elkaar en aan wat er in de conclusie van antwoord staat. Voor alle verklaringen geldt dat ze door [eiseres] worden betwist en niet zijn onderbouwd. [gedaagde] bleef herhalen dat ‘de factuur niet klopt’. Wat er dan niet klopt is niet duidelijk geworden. Dat, zoals hij opmerkte, er geen handtekening op de factuur staat, maakt niet dat die niet zou kloppen. Het is niet nodig dat een factuur is ondertekend. Omdat vaststaat dat [gedaagde] de partij natuursteen bij [eiseres] heeft besteld en dat hij die ook geleverd heeft gekregen, wordt geconcludeerd dat [eiseres] terecht de afgesproken prijs heeft gefactureerd en dat [gedaagde] die factuur nog moet betalen. Boete 2.
  7. [gedaagde] betwist de betaalafspraken die op de factuur staan niet, dus ook niet dat afgesproken is dat bij een te late betaling een boete verschuldigd is van 10% van het factuurbedrag. Het staat vast dat hij niet op tijd heeft betaald. Daarom moet hij de geëiste boete van € 2.137,17 betalen. Incassokosten en rente 2.
  8. De incassokosten van € 1.222,21 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek). De geëiste rente berekend tot en met 1 oktober 2024 van € 2.528,06 wordt toegewezen, omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald naast de boete en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Verschuldigd bedrag 2.
  9. Gelet op dat wat hiervoor is overwogen, is [gedaagde] in totaal € 27.259,14 aan [eiseres] verschuldigd, maar zij heeft haar vordering beperkt tot € 25.000,
  10. Dat bedrag wordt dus toegewezen. Proceskosten 2.
  11. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 140,84 aan dagvaardingskosten, € 1.409,00 aan griffierecht, € 1.154,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 577,00) en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 2.847,
  12. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. Uitvoerbaar bij voorraad 2.
  13. Dit vonnis mag meteen worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen (artikel 233 Rv). Weliswaar maakt [gedaagde] hier bezwaar tegen, omdat [eiseres] in het buitenland is gevestigd, maar dat enkele feit is geen aanleiding om af te zien van het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van deze uitspraak. [gedaagde] heeft zijn bezwaar niet met andere feiten onderbouwd. 3De beslissing De kantonrechter: 3.
  14. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 25.000,00; 3.
  15. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 2.847,84; 3.
  16. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken. 703

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.