← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2026:1548

RECHTBANK ROTTERDAM Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/5280 V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2026 op het verzet van [naam opposant] , uit [plaats] , opposant tegen de uitspraak van de rechtbank van 9 oktober 2025 in het geding tussen opposant en de heffingsambtenaar van het Samenwerkingsverband [naam samenwerkingsverband] (de heffingsambtenaar). Inleiding

  1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 9 oktober 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard.
  2. De rechtbank heeft het verzet op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Opposant is met bericht niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank
  3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 9 oktober 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
  4. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposant in verzuim is tijdig het verschuldigde griffierecht te voldoen.
  5. In verzet heeft opposant aangevoerd dat geen griffierechtnota is ontvangen en dat zijn kantoor een rekening-courant aanhoudt bij het Landelijke Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR), zodat het verschuldigde griffierecht afgeschreven had moet worden.
  6. Deze verzetsgrond slaagt. In het midden kan blijven of de aangetekende griffierechtnota op de juiste wijze is aangeboden. Vastgesteld is namelijk dat het advocatenkantoor van opposant een rekening-courant aanhoudt bij het LDCR, de instantie die namens de gerechten het verschuldigde griffierecht int. Uit artikel 7 van de Algemene voorwaarden bij de Landelijke rekening‑courant griffierechten (vastgesteld op 18 augustus 2014, Stcrt 27 augustus 2014, nr. 24073) volgt dat bij zodanige rekening‑courantverhouding het griffierecht geacht wordt bij indiening van het beroep te zijn voldaan (zie ook ECLI:NL:CRVB:2018:1736). Dat opposant in deze zaak niet als gemachtigde optreedt maar in persoon procedeert, maakt dit niet anders. Het beroepschrift is ingediend op briefpapier van het advocatenkantoor van opposant. Bij onduidelijkheid over de vraag of in dit geval ook het griffierecht kon worden afgeschreven van de bij het LCDR aangehouden rekening-courant had het op de weg van de rechtbank gelegen navraag hierover te doen. Conclusie en gevolgen
  7. Uit de beoordeling van de grond van het verzet volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 9 oktober 2025 ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, niet-ontvankelijk was en de zaak ten onrechte zonder zitting heeft afgedaan. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat die uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan. Als voorlichting merkt de rechtbank op dat ook na de hervatting van het onderzoek het eindoordeel kan zijn dat het beroep niet-ontvankelijk is.
  8. Omdat opposant in persoon procedeert is geen sprake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, zodat geen proceskostenvergoeding kan worden toegekend. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet gegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 februari
  9. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.