← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2026:1554

RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 23/6222 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaak tussen [naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. S.M. Posthumus), en de minister van Financiën, de minister (gemachtigde: [persoon A] ). Samenvatting

  1. Deze uitspraak gaat over de weigering van de minister om private schulden van eiseres (volledig) over te nemen. Eiseres is het daar niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de schuld aan Direct Pay Services en het overige deel van de schuld aan [naam advocatenkantoor] niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 4.1, tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) en daarom terecht niet zijn overgenomen. Procesverloop
  2. Met de besluiten van 17 maart 2023 en 20 maart 2023 (de primaire besluiten I en II) heeft Sociale Banken Nederland (SBN), namens de Belastingdienst/Toeslagen geweigerd de schulden van eiseres (volledig) over te nemen. 2.
  3. Met het besluit van 8 augustus 2023 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. 2.
  4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.
  5. Op 9 januari 2026 heeft de rechtbank schriftelijke vragen gesteld. Hierop heeft eiseres op 15 januari 2026 geantwoord. 2.
  6. De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en als waarnemer voor de gemachtigde van de minister, [persoon B] . Totstandkoming van het bestreden besluit
  7. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft aan SBN schuldenlijsten verstrekt met daarop onder meer een schuld aan Direct Pay Services ter hoogte van € 840,- en aan [naam advocatenkantoor] ter hoogte van € 28.232,-. [naam advocatenkantoor] incasseert voor kinderopvang [naam kinderopvang] . de openstaande vorderingen die eiseres bij kinderdagopvang [naam kinderopvang] . heeft. Met het primaire besluit I is geweigerd om de schuld aan Direct Pay Services van € 840,- over te nemen. Met het primaire besluit II is de schuld van eiseres aan [naam advocatenkantoor] gedeeltelijk overgenomen, namelijk voor een bedrag van € 19.698,
  8. Voor het restant van deze ingediende schuld is de aanvraag afgewezen. 3.
  9. Eiseres heeft tegen de primaire besluiten I en II bezwaar gemaakt voor zover de minister geweigerd heeft om de schulden (volledig) over te nemen. In bezwaar heeft eiseres naar voren gebracht dat de schuld aan Direct Pay Services is af te leiden uit een registratie bij Bureau Krediet Registratie (BKR). Eiseres heeft in bezwaar verder aangevoerd dat de schuld aan [naam advocatenkantoor] hoger is dan zij bij de aanvraag heeft opgegeven. Eiseres heeft de schuld ingediend als schuld van € 28.232,-, omdat dit het bedrag was waar zij toentertijd van op de hoogte was. Uit het onderzoek door SBN zou daarna gebleken zijn dat de schuld inmiddels was opgelopen tot een bedrag van ongeveer € 56.911,
  10. Dit bedrag is opgebouwd uit een optelsom door eiseres zelf van de facturen van [naam kinderopvang] . vermeerderd met kosten. Eiseres heeft aangevoerd dat het volledige bedrag overgenomen dient te worden. Het zou in bezwaar gaan om een resterend bedrag van € 37.213,
  11. De minister heeft met het bestreden besluit de bezwaren ongegrond verklaard. 3.
  12. De minister heeft het bestreden besluit als volgt onderbouwd. Uit het schuldenoverzicht van Direct Pay Services volgt niet dat eiseres nog een schuld heeft bij Direct Pay Services. Met betrekking tot de schuld aan [naam advocatenkantoor] , heeft de minister de schuld ter hoogte van € 19.698,40 overgenomen, omdat eiseres voor dit bedrag in april/mei 2021 in gebreke is gesteld. Voor het overige deel kan niet worden vastgesteld of wordt voldaan aan de eisen van artikel 4.1 van de Wht. Standpunt eiseres
  13. In beroep voert eiseres aan dat haar schulden aan Direct Pay Services en [naam advocatenkantoor] (volledig) moeten worden overgenomen. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat de schulden voldoen aan de eisen van artikel 4.1 van de Wht. Toetsingskader
  14. De minister neemt op aanvraag een geldschuld over van een aanvrager die in aanmerking komt voor de toepassing van een herstelmaatregel. De geldschulden die worden overgenomen zijn ontstaan na 31 december 2005, waren voor 1 juni 2021 opeisbaar en zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. Voor zogenoemde informele schulden geldt als aanvullend vereiste dat deze moeten zijn vastgelegd in een notariële akte of moeten volgen uit een rechterlijke uitspraak. Een al betaalde schuld kan mogelijk alsnog in aanmerking komen voor vergoeding als de ouder of toeslagpartner eerst een herstelbedrag heeft ontvangen en daarna een geldschuld (gedeeltelijk) heeft betaald, welke anders door de minister zou zijn betaald op grond van artikel 4.1, eerste lid, van de Wht. Beoordeling door de rechtbank
  15. De rechtbank beoordeelt de vraag of de minister terecht heeft geweigerd de ingediende schulden van eiseres over te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. Schuld aan Direct Pay Services 6.
  16. De minister heeft de schuld aan Direct Pay Services afgewezen, omdat niet vastgesteld kan worden of nog sprake is van een schuld, waardoor de schuld niet voor overname in aanmerking kan komen. Uit de schuldenlijst van Direct Pay Services is niet gebleken dat er nog een schuld van € 840,- openstaat. Evenmin heeft eiseres stukken overgelegd waaruit blijkt dat de schuld (nog) bestaat en of deze schuld voldoet aan de eisen van artikel 4.1 van de Wht. Eiseres heeft slechts een screenshot van een afschrift van het BKR overgelegd. Uit dit screenshot volgt niet of de schuld daadwerkelijk (nog) bestaat. Het kan immers ook goed zijn dat door de (voormalig) schuldeiser niet is doorgegeven dat de schuld inmiddels niet meer bestaat. Daarnaast volgt uit het screenshot van de BKR-registratie niet wanneer de schuld aan Direct Pay Services is ontstaan, op welke datum deze schuld opeisbaar was en of de schuld op de datum van de aanvraag nog openstond. Het is daarom onduidelijk of de vordering voldoet aan de eisen van artikel 4.1 van de Wht. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht deze schuld niet heeft overgenomen. Schuld aan [naam advocatenkantoor] 6.
  17. De minister heeft aangevoerd dat de onderbouwing van het resterende deel van de vordering ontbreekt. De rechtbank heeft in de brief van 9 januari 2026 eiseres ook in de gelegenheid gesteld om de vordering nader te onderbouwen. Eiseres heeft in reactie op de vragen van de rechtbank toegelicht dat het voor haar niet mogelijk is om de hoogte van de schuld precies te reconstrueren. De totale vordering van € 56.911,81 zou bestaan uit een optelsom van alle facturen van [naam kinderopvang] . van de jaren 2014, 2015, 2018 en 2019 met rente en kosten. Naar het oordeel van de rechtbank verklaart dit echter niet waarom in de ingebrekestelling van april 2021, met als bijlage een concept-dagvaarding, niet het volledig openstaande bedrag van € 56.911,81 wordt opgeëist. Ook is er geen verklaring voor de betalingsregeling van 1 januari 2019 met betrekking tot een openstaande schuld van € 26.698,56 en vervolgens een nieuwe betalingsregeling van 31 december 2019 met een openstaande schuld van € 8.415,-. Verder bevinden zich in het dossier twee brieven van [naam kinderopvang] . van respectievelijk 7 en 8 februari
  18. In deze brieven staat dat de openstaande schuld over 2015 € 15.290,70 bedraagt en over 2019 € 8.415,-. Eiseres heeft deze brieven ook niet kunnen verklaren in relatie tot de hoogte van de schuld. Kortom, naar het oordeel van de rechtbank, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de onderbouwing van het resterende deel van de vordering ontbreekt. Daarmee is niet duidelijk wat de omvang van de vordering is, wanneer deze is ontstaan, wanneer deze opeisbaar is geworden en of de schuld op de datum van de aanvraag nog openstond. De minister heeft het resterende deel van de vordering niet overgenomen, omdat niet vastgesteld kan worden of de vordering voldoet aan artikel 4.1 van de Wht. 6.
  19. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de schulden van eiseres op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht niet (volledig) voor vergoeding in aanmerking komen. Conclusie en gevolgen
  20. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A. van der Velden, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 19 februari
  21. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 4.1, eerste en tweede lid, van de Wht. Artikel 4.1, derde lid, aanhef en sub b, van de Wht. Artikel 4.3, eerste lid, van de Wht.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.