RECHTBANK Rotterdam team handel en haven Zaaknummer: C/10/703169 / HA ZA 25-581 Vonnis van 18 februari 2026 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats 1] , eiser, advocaat: mr. E.T. van den Hout, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats 2] , gedaagde partij, advocaat: mr. I.M. Mos-Bolier. Partijen worden hierna ook “ [eiser] ” en “ [gedaagde] ” genoemd. 1De zaak in het kort 1.1. Deze zaak gaat over een leningsovereenkomst op grond waarvan [eiser] een bedrag van € 30.000,- aan [gedaagde] heeft geleend. Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde] de hoofdsom heeft afgelost, maar [eiser] vordert in deze procedure een bedrag van (
- i)€ 5.000,- aan overeengekomen rente, administratie- en afsluitkosten, (
- ii)€ 21.000,- aan contractueel verschuldigde boetes, en (iii) € 1.037,10 aan buitengerechtelijke incassokosten. 1.2. De rechtbank komt tot het oordeel dat geen sprake is van een consumentenkrediet en wijst de gevorderde kosten van € 5.000,- toe. De rechtbank matigt de contractuele boete tot de wettelijke rente en wijst de buitengerechtelijke incassokosten af. 2De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 3 juli 2025, met productie 1 t/m 9, - de conclusie van antwoord, met productie 1 t/m 8, - de brief van de rechtbank waarin een mondelinge behandeling is bepaald, - de e-mail van de rechtbank met een zittingsagenda, - de aanvullende productie 10 van [eiser] , - de mondelinge behandeling van 12 januari 2026 en de daarbij door partijen gebruikte spreekaantekeningen. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3De feiten 3.1. [eiser] en [gedaagde] hebben op 11 maart 2025 een leningsovereenkomst gesloten op grond waarvan [eiser] een lening van € 30.000,- aan [gedaagde] heeft verstrekt met een looptijd van zes weken. 3.2. De overeenkomst bepaalt, onder andere, het volgende: “1. Leninggever: [eiser] handelend als privépersoon, hierna " Leninggever " genoemd; 2. Leningnemer: [gedaagde] , wonend in [adres] , te [woonplaats 3] . (…). Handelend als privépersoon, hierna "Leningnemer" genoemd; (…) §2 Leningsvoorwaarden
(1)Leningsbedrag: De Leninggever verstrekt aan de Leningnemer een lening van €30.000 (dertigduizendeuro).
(2)Looptijd: De looptijd van de lening bedraagt 6 weken, beginnend op 11 maart 2025 en eindigend op 15 april 2025.
(3)Kosten: • Rente : De lening wordt verstrekt tegen een rentepercentage van 1% per maand , wat voor 6 weken neerkomt op €450 . • Administratiekosten : €2.050 . • Afsluitkosten : €2.500 .
(4)Terugbetaling : De Leningnemer verbindt zich ertoe om het volledige bedrag van €35.000 (€30.000 hoofdsom + €450 rente + €2.050 administratiekosten + €2.500 afsluitkosten) uiterlijk op 15 april 2025 in één keer aan de Leninggever terug te betalen. (…)
(2)Volledige terugbetaling bij wanprestatie: • Indien de Leningnemer de betalingstermijn overschrijdt, stemt de leningnemer ermee in een boete van 300 euro per dag te betalen. Deze en het volledige openstaande bedrag, inclusief rente en eventuele bijkomende kosten zijn direct opeisbaar.” 3.3. [gedaagde] heeft op 30 april 2025 een bedrag van € 25.000,- en op 2 mei 2025 een bedrag van € 5.000,- aan [eiser] betaald. Daarmee heeft [gedaagde] het geleende bedrag volledig terugbetaald. 3.4. [eiser] heeft [gedaagde] vervolgens verzocht om betaling van de in de overeenkomst opgenomen kosten van € 5.000,-, vermeerderd met de contractuele boete. [gedaagde] heeft dat bedrag niet aan [eiser] betaald. 4Het geschil 4.1. [eiser] vordert in deze procedure nakoming van de leningsovereenkomst die hij heeft gesloten met [gedaagde] , op grond waarvan [gedaagde] de volgende bedragen aan hem verschuldigd is: (
- i)€ 450,- aan rente over de looptijd van de lening, (
- ii)€ 4.550,- aan administratie- en afsluitkosten, (iii) € 21.000,- aan boete, (
- iv)€ 1.037,10 aan buitengerechtelijke incassokosten 4.2. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering van [eiser] en doet als verweer een beroep op vernietiging van de leningsovereenkomst. Hij stelt zich op het standpunt dat in feite sprake is van een consumentenkredietovereenkomst die in strijd is met het dwingende consumentenrecht. Voor het geval dat geen sprake zou zijn van een consumentenkrediet betoogt [gedaagde] dat de in de overeenkomst opgenomen kosten in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid en de goede zeden. De gevorderde boete is volgens [gedaagde] disproportioneel en moet worden gematigd. Ten slotte voert [gedaagde] aan dat hij de buitengerechtelijke incassokosten niet is verschuldigd, omdat niet is voldaan aan daarvoor in de wet gestelde eisen. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5De beoordeling Er is geen sprake van een consumentenkredietovereenkomst en er bestaat dus geen reden voor verwijzing naar de kantonrechter 5.1. Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of de door [eiser] aan [gedaagde] verstrekte lening een consumentenkrediet betreft. De rechtbank moet deze vraag ook ambtshalve beoordelen. 5.2. Artikel 7:57 lid 1 sub c BW bepaalt dat sprake is van een consumentenkrediet als een leninggever krediet verstrekt in het kader van de uitoefening van zijn bedrijfs- of beroepsactiviteiten aan een leningnemer die de lening aangaat buiten het kader van zijn bedrijfs- of beroepsactiviteiten (en dus als consument in de zin van artikel 7:57 lid 1 sub a). Dit betekent dat alleen sprake is van een consumentenkrediet als [gedaagde] de lening is aangegaan als consument en [eiser] die lening in de uitoefening van zijn bedrijf heeft verstrekt. 5.3. [gedaagde] doet in deze procedure een beroep op het consumentenrecht en de rechtsgevolgen van dat consumentenrecht. Het is volgens de algemene regels van het bewijsrecht daarom in beginsel aan [gedaagde] om (desgevraagd) voldoende feiten te stellen waaruit blijkt dat sprake is van een consumentenkrediet en dus dat [eiser] de lening in de uitoefening van zijn bedrijf heeft verstrekt. 5.4. [gedaagde] heeft in dat kader aangevoerd dat [eiser] vaker krediet heeft verstrekt, dat de overeenkomst afsluit- en administratiekosten bevat en dat [gedaagde] via een bemiddelaar, de heer [persoon A] (“[persoon A]”), bij [eiser] als leninggever terecht is gekomen. 5.5. De rechtbank is van oordeel dat uit deze omstandigheden niet kan worden afgeleid dat [eiser] de lening bedrijfsmatig heeft verstrekt. [eiser] heeft ter zitting namelijk betwist dat hij vaker leningen heeft verstrekt en aangevoerd dat hij zich bedrijfsmatig bezighoudt met de handel in onroerend goed en niet met het verstrekken van leningen. Daarnaast heeft [eiser] onbetwist toegelicht dat de bemiddeling door [persoon A] eruit bestond dat [persoon A] bij [eiser] in de auto zat toen [persoon A] een telefoongesprek had met [gedaagde] . Tijdens dat telefoongesprek vertelde [gedaagde] aan [persoon A] dat hij geld nodig had. [eiser] hoorde dit gesprek en heeft toen tegen [persoon A] gezegd dat hij wel “geld had liggen” dat hij aan [gedaagde] kon lenen. Dit heeft [persoon A] vervolgens doorgegeven aan [gedaagde] . In deze context kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat de bemiddeling door [persoon A] erop wijst dat [persoon A] wist dat [eiser] vaker krediet verstrekte en dat [eiser] de lening aan [gedaagde] bedrijfsmatig zou hebben verstrekt. Dit kan ook niet zonder meer worden afgeleid uit de in de overeenkomst opgenomen afsluit- en administratiekosten. Die kosten betreffen volgens [eiser] een vergoeding voor het verstrekken van een snelle en risicovolle lening aan [gedaagde] (die [gedaagde] kennelijk niet van een bank kon krijgen), en ook [gedaagde] zelf heeft aangevoerd dat deze kosten in werkelijkheid een (verkapte) rente betreffen. Dat [eiser] een vergoeding voor de lening vroeg maakt naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat [eiser] de lening in de uitoefening van een bedrijf heeft verstrekt. 5.6. De rechtbank heeft ook in de overige stellingen van partijen en de door hen overgelegde stukken geen aanknopingspunten gevonden voor de conclusie dat [eiser] de lening aan [gedaagde] bedrijfsmatig heeft verstrekt. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat [eiser] de lening aan [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank niet bedrijfsmatig heeft verstrekt en dat geen sprake is van een consumentenkrediet in de zin van artikel 7:57 lid 1 sub c BW. [gedaagde] komt dan ook geen beroep toe op de dwingendrechtelijke bepalingen van consumentenrecht en kan de (bepalingen uit
- de)leningsovereenkomst niet op grond van dat consumentenrecht vernietigen. Dat geen sprake is van consumentenkrediet betekent ook dat er geen grond bestaat voor een verwijzing naar de kantonrechter. [gedaagde] moet de contractuele rente en administratie- en afsluitkosten van € 5.000,- betalen 5.7. De rechtbank volgt [gedaagde] ook niet in zijn betoog dat de in de leningsovereenkomst opgenomen rente, administratie- en afsluitkosten in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW of op grond van artikel 3:40 BW nietig zijn. 5.8. Zoals volgt uit de tekst van artikel 6:248 lid 2 BW geldt voor toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid de maatstaf dat het handhaven van de overeengekomen kosten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Deze maatstaf brengt mee dat met terughoudendheid toepassing moet worden gegeven aan deze bepaling. 5.9. De door [gedaagde] aangedragen omstandigheid dat de rente, administratie- en afsluitkosten geen transparante vergoeding voor concrete diensten of kosten, maar een verkapte onevenredig hoge rente betreffen, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat deze kosten in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid. Dit maakt ook niet dat deze kosten in strijd zijn met de openbare of de goede zeden als bedoeld in artikel 3:40 BW. 5.10. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit de overeenkomst duidelijk blijkt dat de kosten voor de lening in totaal € 5.000 bedroegen en dat [gedaagde] deze kosten heeft aanvaard toen hij de leningsovereenkomst aanging. Ook stond het [eiser] in beginsel vrij om te bepalen welke vergoeding hij vroeg, en stond het [gedaagde] vrij om te bepalen welke vergoeding hij bereid was te betalen voor de lening. Dat [gedaagde] de overeenkomst niet goed zou hebben gelezen en zich daarom niet bewust was van de hoogte van de vergoeding, zoals hij ter zitting heeft aangevoerd, komt voor zijn eigen rekening en maakt niet dat deze kosten onaanvaardbaar zouden zijn. Bovendien heeft [gedaagde] in zijn conclusie van antwoord aangevoerd dat [persoon A] nog een derde partij heeft benaderd in verband met de door [gedaagde] benodigde lening en dat die derde een te hoge rente vroeg. Daaruit kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat [gedaagde] zich wel degelijk bewust was van de kosten van de lening, en die kosten heeft aanvaard. 5.11. Ook blijkt nergens uit dat [gedaagde] genoodzaakt was de lening tegen ongunstige voorwaarden af te sluiten en dat [eiser] daarvan misbruik heeft gemaakt in de zin van artikel 3:44 lid 4 BW. 5.12. Voor een geslaagd beroep op artikel 3:44 lid 4 BW is vereist dat [gedaagde] door bijzondere omstandigheden is bewogen tot het aangaan van de leningsovereenkomst en dat [eiser] [gedaagde] op grond daarvan van het aangaan van de leningsovereenkomst had moeten weerhouden. [gedaagde] heeft in dit kader in zijn conclusie van antwoord aangevoerd dat hij zich in een financieel kwetsbare positie bevond en dringend liquiditeit nodig had voor de aankoop van een auto die noodzakelijk was voor zijn mobiliteit. Ter zitting heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij de lening nodig had voor het aflossen van privéschulden. Nog los van het feit dat [eiser] deze omstandigheden heeft betwist, heeft [gedaagde] niet onderbouwd dat en waarom de door hem aangedragen omstandigheden bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 3:44 lid 4 BW zouden betreffen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de leningsovereenkomst door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. [gedaagde] kan de overeenkomst dan ook niet op grond van artikel 3:44 lid 4 BW vernietigen. 5.13. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat [gedaagde] uit hoofde van de leningsovereenkomst verplicht is de contractuele rente, administratie- en afsluitkosten van in totaal € 5.000,- aan [eiser] te betalen. [gedaagde] moet de contractuele boete betalen die wordt gematigd tot de wettelijke rente 5.14. Ten aanzien van de door [eiser] gevorderde boete stelt de rechtbank voorop dat de rechter een dergelijke boete op grond van artikel 6:94 BW kan matigen, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Deze maatstaf betekent dat matiging alleen aan de orde is als toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zijn de omstandigheden van het geval beslissend, waaronder de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. 5.15. In dit geval is de rechtbank van oordeel dat het boetebeding uit de leningsovereenkomst tot een dergelijk buitensporig en onaanvaardbaar resultaat leidt, zoals [gedaagde] heeft aangevoerd. De boete van € 300,- per dag is niet gelimiteerd en is tot aan de dag van de dagvaarding dan ook opgelopen tot een, zo heeft ook [eiser] ter zitting erkend, relatief hoog bedrag van € 21.000,-. Een dergelijke boete staat naar het oordeel van de rechtbank niet in een redelijke verhouding met het door [gedaagde] geleende bedrag van € 30.000,- en het belang van [eiser] bij een tijdige afbetaling van de door [gedaagde] verschuldigde bedragen. Bovendien heeft [eiser] het risico dat hij met het verstrekken van de lening liep naar eigen zeggen ook al verdisconteerd in de door hem gevraagde relatief hoge vergoeding van € 5.000,-. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde boete niet proportioneel is gelet op de werkelijke schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van de te late betaling, zoals [gedaagde] heeft betoogd. [eiser] heeft in deze procedure niets gesteld over de werkelijk door hem geleden schade. De rechtbank zal de boete daarom matigen. Artikel 6:94 BW bepaalt dat aan [eiser] niet minder kan worden toegekend dan de schadevergoeding die aan hem toekomt op grond van de wet. De rechtbank zal de boete daarom matigen tot de wettelijke rente, omdat die wettelijke rente de schadevergoeding betreft waarop [eiser] op grond van artikel 6:119 BW recht zou hebben wegens de vertraging in de voldoening van een geldsom. 5.16. [eiser] vordert de boete vanaf 15 april 2025. Ter zitting heeft [eiser] echter erkend dat de leningsovereenkomst ten onrechte een einddatum vermeldt van 15 april 2025 en dat de lening in werkelijkheid een looptijd had tot 22 april 2025. De rechtbank wijst de boete, gematigd tot de wettelijke rente, dan ook toe vanaf 22 april 2025. [gedaagde] hoeft geen buitengerechtelijke incassokosten te betalen 5.17. [eiser] vordert vergoeding van een bedrag van € 1.037,10 aan buitengerechtelijke incassokosten. Voor de vraag of, en zo ja tot welk bedrag, de buitengerechtelijke incassokosten voor vergoeding in aanmerking komen is van belang of [gedaagde] de lening is aangegaan buiten de uitoefening van zijn beroep of bedrijf en dus als consument. Artikel 6:96 lid 6 BW bepaalt immers dat een consument alleen buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is als de schuldeiser een aanmaning aan die consument heeft gestuurd waarin de consument een termijn van veertien dagen heeft gekregen, die ingaat op de dag na de aanmaning, om de vordering alsnog te betalen. Die aanmaning moet ook de buitengerechtelijke kosten vermelden die de consument moet betalen als hij de hoofdsom niet tijdig betaalt. 5.18. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] de leningsovereenkomst heeft gesloten buiten de uitoefening van zijn bedrijf. Dit volgt, zoals [gedaagde] betoogt, uit de leningsovereenkomst zelf. De overeenkomst bepaalt immers expliciet dat [gedaagde] de lening aangaat als privépersoon. Bovendien heeft [gedaagde] onbetwist aangevoerd dat het geleende bedrag is overgemaakt naar zijn privérekening. [eiser] heeft weliswaar aangevoerd dat [gedaagde] de lening nodig had voor zijn bedrijfsactiviteiten in Duitsland, maar [eiser] heeft dit niet met nadere stukken onderbouwd. De rechtbank is daarom van oordeel dat [gedaagde] voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat hij de overeenkomst als consument heeft gesloten en dat [eiser] dit onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. 5.19. Dit betekent dat de rechtbank de buitengerechtelijke incassokosten afwijst. [eiser] heeft [gedaagde] weliswaar een aanmaning verstuurd, maar die aanmaning voldoet niet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. In de aanmaning is namelijk geen betalingstermijn van veertien dagen gegeven die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door [gedaagde] en worden de door [gedaagde] verschuldigde incassokosten niet gespecificeerd. [eiser] moet het griffierecht van [gedaagde] betalen en verder moeten partijen hun eigen proceskosten betalen 5.20. Van de totale vordering van [eiser] wijst de rechtbank een bedrag van € 5.000,- toe. Als [eiser] zijn vordering van aanvang zou hebben beperkt tot dit bedrag zou de kantonrechter bevoegd zijn geweest over deze zaak te oordelen. In dat geval zou [gedaagde] geen griffierecht verschuldigd zijn. De rechtbank veroordeelt [eiser] daarom tot vergoeding van dat griffierecht van € 1.374,- aan [gedaagde] . De rechtbank compenseert de overige proceskosten, in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt omdat partijen in dit vonnis over en weer in het gelijk zijn gesteld. Uitvoerbaar bij voorraad 5.21. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard nu de daartoe strekkende vordering op de wet is gegrond en daartegen geen afzonderlijk verweer is gevoerd. 6De beslissing De rechtbank 6.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 22 april 2025, tot de dag van volledige betaling, 6.2. veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 1.374,-, 6.3. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 6.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 6.5. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Vos en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.1980/3977