RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 11928401 GZ VERZ 25-8657 registernummer: BM 46867 uitspraak: 27 februari 2026 beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, inzake opheffing meerderjarigenbewind over de goederen van: [betrokkene] , geboren te [geboorteplaats 1] , [geboorteland ] op [geboortedatum] 1973, wonende te [adres] , hierna te noemen betrokkene. Verloop van de procedure Op 13 oktober 2025 is het verzoek ontvangen van betrokkene om het bij beschikking door de kantonrechter te Rotterdam d.d. 12 februari 2024 ingestelde bewind over haar goederen op te heffen. Op 28 oktober 2025 is een schriftelijke reactie van de bewindvoerder, [naam] h.o.d.n. JM Bewind B.V. te Rotterdam , ontvangen. Op 6, 11, 19 en 24 november 2025 heeft betrokkene meerdere klachten en verzoeken ingediend. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 februari
- Tijdens de zitting was betrokkene aanwezig. De bewindvoerder heeft zich voorafgaand aan de zitting afgemeld. Beoordeling van het verzoek Betrokkene heeft aanvankelijk verzocht om de huidige bewindvoerder te ontslaan en een nieuwe bewindvoerder te benoemen. Zij heeft een aantal klachten over de bewindvoerder, waaronder dat de bewindvoerder weigert toestemming te geven voor hoger beroep tegen de uitspraak van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam van 29 augustus 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:10547). Door deze weigering kan betrokkene haar rechtsmiddelen niet benutten. De vertrouwensrelatie is onder andere hierdoor ernstig verstoord. De bewindvoerder heeft aangegeven dat betrokkene is aangemeld bij de schuldhulpverlening. Tijdens de behandeling heeft betrokkene met spoed verzocht om toestemming voor een kortgedingsprocedure tegen de zorginstelling waar haar vriend verblijft. De zorginstelling heeft aan betrokkene een toegangsverbod opgelegd. Betrokkene is meermaals gewaarschuwd alvorens het besluit is genomen haar de toegang te weigeren. Omdat de bewindvoerder weet wat haar vriend voor betrokkene betekent, heeft hij de advocaat toestemming gegeven om namens haar te procederen. De voorzieningenrechter heeft beslist dat de zorginstelling gegronde redenen had om aan betrokkene een toegangsverbod op te leggen. Dit heeft ertoe geleid dat betrokkene is veroordeeld in de proceskosten in de kort geding procedure van € 1.999,-. De bewindvoerder weigert toestemming voor hoger beroep, omdat volgens hem de kans op slagen klein is en het risico op een nieuwe proceskostenveroordeling in hoger beroep groot. Betrokkene heeft haar verzoek aangevuld met het verzoek het bewind op te heffen. Zij heeft geen nieuwe schulden, haar vaste lasten zijn op orde en er loopt een schuldregelingstraject. Tijdens de zitting heeft betrokkene de brief d.d. 23 december 2025 van de gemeentelijke schuldhulpverlening getoond. Hieruit blijkt dat zij het dossier hebben gesloten omdat de schuldeisers van betrokkene akkoord zijn gegaan met de schuldenregeling. Betrokkene heeft dus geen (problematische) schulden meer. Anders dan de kantonrechter ter zitting heeft gezegd, ziet zij geen aanleiding om de bewindvoerder zich hier nog over te laten uitlaten. Betrokkene heeft ter zitting verklaard dat zij voortaan haar geldzaken zelf wil gaan regelen en geen enkel vertrouwen meer heeft in de samenwerking met de bewindvoerder. De kantonrechter is van oordeel dat – hoewel zij gegronde twijfel heeft of betrokkene voldoende financieel inzicht heeft om voortaan haar eigen geldzaken te regelen – voortzetting van het bewind niet langer zinvol is. Bij dit oordeel weegt mee dat betrokkene geen problematische schulden meer heeft. Verder is ter zitting gebleken dat betrokkene zonder toestemming van haar bewindvoerder een advocaat heeft ingeschakeld om hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak van de Voorzieningenrechter van 29 augustus 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:10547). De bewindvoerder heeft op goede gronden mogen beslissen om voor het hoger beroep tegen het kort geding over het toegangsverbod tot de zorginstelling geen toestemming te geven, omdat dit financieel gezien niet verantwoord was. De bewindvoerder heeft in een uitvoerige mailwisseling met betrokkene ook duidelijk uitgelegd waarom hij geen toestemming gaf voor het hoger beroep. Ook de kantonrechter is van oordeel dat de kans dat betrokkene de hoger beroepsprocedure gaat verliezen groot is. Als zij in hoger beroep in de proceskosten wordt veroordeeld, dan ontstaat een nieuwe forse schuld, terwijl betrokkene moet rondkomen van een bijstandsuitkering. Hierbij weegt ook mee dat betrokkene bij herhaling procedures heeft gevoerd bij de Rechtbank Rotterdam, die steeds in het nadeel van betrokkene zijn beslist, maar betrokkene van geen ophouden weet. Door toch hoger beroep in te stellen, zonder toestemming van haar bewindvoerder, heeft betrokkene naar het oordeel van de kantonrechter een verdere vruchtbare samenwerking met de bewindvoerder blijvend onmogelijk gemaakt. Het opheffingsverzoek van betrokkene wordt gelet op het voorgaande toegewezen. Ten overvloede merkt de kantonrechter nog op dat, anders dat betrokkene stelt, het hof in de uitspraak van 4 mei 2022 niet heeft geoordeeld dat betrokkene als levenspartner moet worden aangemerkt (ECLI:NL:GHDHA:2022:878). Deze vraag heeft het hof niet beantwoord, omdat dit niet van belang was voor de uitspraak, zoals blijkt uit rechtsoverweging 5.
- De kantonrechter heeft betrokkene ter zitting verder nog in overweging gegeven om de hoger beroepsprocedure alsnog in te trekken, aangezien degene die zij haar levenspartner noemt inmiddels is overleden, zodat een kort geding over het toegangsverbod niet erg zinvol meer lijkt te zijn. Betrokkene heeft aangegeven toch de hoger beroepsprocedure te willen doorzetten. Beslissing De kantonrechter heft per 16 maart 2026 het bewind over de goederen van betrokkene op; bepaalt dat de bewindvoerder vóór 16 mei 2026 eindrekening en verantwoording dient af te leggen over de periode 1 januari 2026 tot en met 15 maart 2026 aan betrokkene, ten overstaan van de kantonrechter; stelt de beloning van de bewindvoerder voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording vast overeenkomstig artikel 3 lid 5 sub d van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren; bepaalt dat de inschrijving van het bewind in het openbare Centraal Curatele- en bewindregister door de griffier ongedaan zal worden gemaakt. Deze beschikking is gegeven door mr. C.J. Frikkee en uitgesproken ter openbare terechtzitting. 60730 Tegen deze beschikking kan in hoger beroep worden gegaan bij het gerechtshof Den Haag. Dit kan alleen worden ingesteld door een advocaat. Verzoeker en degenen aan wie een kopie van de beschikking is verstrekt moeten hoger beroep instellen binnen drie maanden na de datum van de beschikking. Voor andere belanghebbenden moet dit binnen drie maanden nadat zij van de beschikking op de hoogte zijn geraakt.