RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 23/5893 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen de rechtspersoon naar buitenlands recht het Toeristisch Spoor Patrimonium (TSP), te Spontin (België), eiseres (gemachtigde: mr. Q.P.W.J. Vosman), en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (de minister). Inleiding 1. Op 9 maart 2022 heeft QRail s.r.o. (QRail) een e-mailbericht gezonden aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) met het verzoek om in het voertuigregister bij locomotief 2551 ook België ‘aan te vinken’ als land van toelating. 2. Met een e-mailbericht van 26 juli 2022 heeft het ILT daar namens de minister op geregeerd. In het bericht is onder meer vermeld: “Enige tijd geleden heeft u gevraagd of de (voormalige) NMBS loc 2551 (EVN: 91 84 1 002 551- 7 NLPFT) geautoriseerd kan worden voor België. Zoals met u besproken heeft de inspectie uw verzoek voorgelegd aan DVIS (registerende instelling voor België) gelet op de herkomst van deze locomotief. Hieruit blijkt dat deze loc in 2012 buitendienst is gesteld met code 34 in het voertuigregister (Voertuig voor het museum bestemd). (…) DVIS geeft derhalve geen akkoord op een herautorisatie voor België. De inspectie is daarmee niet gerechtigd het vinkje voor België te plaatsen. (…)” 3. QRail heeft op 26 augustus 2022 per emailbericht bezwaar gemaakt. Zij heeft daarbij een machtiging overgelegd om namens het bestuur van TSP op te treden. 4. Met het besluit van 26 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. 5. TSP heeft op 29 augustus 2023 beroep ingesteld. 6. De minister heeft een verweerschrift ingediend. 7. De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van TSP en namens de minister: mr. P.C. Cup, ir. [persoon A] en dr. [persoon B] . 8. Ter zitting is het onderzoek geschorst en zijn afspraken gemaakt met partijen over het vervolg van de procedure. Ter zitting is afgesproken dat TSP nadere stukken over zal leggen waaruit volgens haar volgt dat locomotief 2551 in België onder het overgangsrecht valt en dat de minister vervolgens contact zal opnemen met de Belgische autoriteiten over de vraag of locomotief 2551 onder het overgangsrecht valt van artikel 21, twaalfde lid, van Richtlijn (EU) 2008/57/EG dan wel artikel 54 van Richtlijn (EU) 2016/797 (het overgangsrecht). Partijen hebben vervolgens herhaaldelijk nadere stukken ingediend en standpunten daarover ingenomen. 9. De rechtbank heeft op verzoek van TSP op 25 februari 2026 de zaak opnieuw ter zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van TSP en namens de minister mr. G. Fazzi, [persoon C] en [persoon D] . Beoordeling 10. In de bijlage bij deze uitspraak zijn de voor de inhoudelijke beoordeling relevante rechtsregels opgenomen. 11. De rechtbank heeft het beroepschrift op 29 augustus 2023 ontvangen dat is gericht tegen het bestreden besluit dat is gedateerd op 26 juni 2023. Dit betekent dat niet binnen de beroepstermijn van zes weken als bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beroep is ingesteld. Het bestreden besluit is verzonden naar het adres voor ‘klassieke post’ dat TSP op 12 januari 2023 per e-mailbericht heeft doorgegeven aan de minister. Ditzelfde adres heeft TSP vermeld in haar beroepschrift 12. Desgevraagd heeft TSP de rechtbank met een e-mailbericht van 6 september 2023 bericht dat bij afwezigheid van geadresseerde het poststuk niet is bezorgd en bij een nabijgelegen postagentschap afgegeven om door geadresseerde te worden afgehaald. Echter is geadresseerde niet geïnformeerd dat er een aangetekend poststuk is aangeboden en dat deze bij het postagentschap kan worden afgehaald. Wel is het bestreden besluit op 19 juli 2023 door TSP per e-mail ontvangen. Daartegen is binnen zes weken beroep ingesteld. 13. De rechtbank ziet gelet op dit bericht aanleiding om een verschoonbare termijnoverschrijding aan te nemen (artikel 6:11 van de Awb). Daarbij wordt overwogen dat de rechtbank het er gelet op dit bericht en de bekende problemen met de postbezorging voor houdt dat geen afhaalbericht is achtergelaten (vgl. ECLI:NL:RVS:2023:84 en ECLI:NL:RVS:2026:618). Verder wordt bij een latere ontvangst van het besluit de latere indiening verschoonbaar geacht indien dit alsnog binnen zes weken gebeurt (bijv. ECLI:NL:HR:2024:515). Aan dit vereiste is voldaan zodat het beroep ontvankelijk is. 14. Met partijen houdt de rechtbank het ervoor dat QRail namens TSP een aanvraag heeft gedaan om locomotief 2551 in het voertuigregister te autoriseren voor België en dat de minister daarop afwijzend heeft beslist met het e-mailbericht van 26 juli 2022. De vraag die daarom bij de rechtbank voorligt, is of de minister bij het bestreden besluit terecht bij zijn afwijzing is gebleven. 15. Voor locomotief 2551 is op 19 november 2007 door de minister een zogenoemd inzetcertificaat verleend. Op grond daarvan valt de locomotief onder het overgangsrecht van artikel 122a, onder b, van de Spoorwegwet. Op 29 mei 2019 is de locomotief op verzoek van TSP ingeschreven in het destijds door de minister bijgehouden nationaal voertuigregister met beperkingencode 00, wat betekent dat het voertuig een geldige registratie heeft. 16. Iedere lidstaat hield tot medio 2022 een nationaal voertuigregister. Deze nationale voertuigregisters zijn toen samengevoegd in het Europees voertuigregister op grond van Richtlijn (EU) 2016/797 en het Uitvoeringsbesluit 2018/1614. Deze samenvoeging heeft plaatsgevonden voordat het bestreden besluit is genomen, zodat in beroep beoordeeld moet worden of de minister gehouden is de inschrijving in het Europees voertuigregister aan te passen in overeenstemming met wat TSP beoogt, namelijk schrapping van de Belgische beperkingencode 34 zodat alleen de Nederlandse beperkingencode 00 resteert. 17. In de kern beroept TSP zich op punt 3.2.2.9. van bijlage II van Uitvoeringsbesluit 2018/1614, waarin is bepaald dat het EVN op verzoek van de houder mag worden gewijzigd via een nieuwe registratie van het voertuig door een andere lidstaat in het gebruiksgebied en de daaropvolgende schrapping van de oude inschrijving. De rechtbank begrijpt het betoog van TSP zo dat volgens haar artikel 26aa van de Spoorwegwet in het licht van voornoemd onderdeel van Uitvoeringsbesluit 2018/1614 zo moet worden gelezen dat de minister bevoegd moet worden geacht om de in België toegekende beperkingencode te schrappen. 18. Het EVN is het Europees voertuignummer en vindt zijn grondslag in artikel 46 van Richtlijn 2016/797. De specificaties van het EVN zijn op grond van lid 2 van dat artikel vastgesteld in het Uitvoeringsbesluit 2018/1614. Zoals uit Uitvoeringsbesluit 2018/1614, in het bijzonder aanhangsel 3 en aanhangsel 6, maar ook uit onder meer artikel 47, derde lid, van Richtlijn 2016/797 volgt, is het EVN niet hetzelfde als een beperkingencode en maakt de beperkingencode ook geen deel uit van het EVN. Punt 3.2.2.9. van bijlage II van Uitvoeringsbesluit 2018/1614 brengt, ook bij conforme uitleg, daarom niet mee dat de minister op grond van artikel 26aa van de Spoorwegwet bevoegd is om een in België toegekende beperkingencode te schrappen. Ook verder ziet de rechtbank in de Spoorwegwet of in Richtlijn 2016/797 en Uitvoeringsbesluit 2018/1614 geen grondslag voor een bevoegdheid van de minister om de in België toegekende beperkingencode te schrappen. De minister heeft het verzoek alleen daarom al terecht afgewezen. 19. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog als volgt. In haar lezing van punt 3.2.2.9. van bijlage II van Uitvoeringsbesluit 2018/1614 stelt eiseres centraal dat het gebruiksgebied van de locomotief België en Nederland is. Het begrip gebruiksgebied is in artikel 1 van de Spoorwegwet gelezen in samenhang met artikel 2, onder 32, van Richtlijn 2016/797 gedefinieerd als: een of meer netwerken binnen een lidstaat of groep van lidstaten waarop een voertuig is bedoeld om te worden gebruikt. Het gebruiksgebied van een voertuig moet op grond van artikel 21, tiende lid, van Richtlijn 2016/79 worden vermeld in de vergunning om een voertuig in de handel te brengen. In dit geval is de vergunning (of toelating) voor België verleend op 2 januari 1961. Gelet op het feit dat die vergunning al in een ver verleden is verleend, kan er niet zonder meer vanuit worden gegaan dat het gebruiksgebied in die vergunning is neergelegd. Vast staat echter wel dat de vergunning volgens het Europees voertuigregister is ingetrokken op 14 november 2011 toen de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen ( NMBS ) nog eigenaar van de locomotief was. Verder is de registratie van de locomotief in het Belgische voertuigenregister op verzoek van de NMBS door de Belgische autoriteiten op 2 februari 2012 doorgehaald door de beperkingencode 34 daarbij op te nemen. Gelet op deze intrekking van de vergunning (of toelating) en de doorhaling van de registratie is de locomotief niet meer toegestaan op het Belgische spoornetwerk. TSP is het daar niet mee eens en voert aan dat de Belgische autoriteiten onrechtmatig hebben gehandeld. De rechtbank biedt geen rechtsbescherming tegen besluiten van de Belgische autoriteiten. TSP heeft in België geen rechtsmiddelen aangewend tegen die besluiten, zodat de intrekking van de vergunning en de doorhaling van de registratie door de minister terecht als feit zijn aangenomen. In het licht van dat feit kan niet worden volgehouden dat België nog deel uitmaakt van het gebruiksgebied van de locomotief. Het gebruiksgebied bestaat dan ook nog alleen uit Nederland, zodat de minister ook om die reden niet bevoegd was om de Belgische beperkingencode te schrappen. Ook om deze reden gaat het betoog van TSP niet op. 20. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren. Conclusie en gevolgen 21. Omdat het beroep ongegrond is, blijft de afwijzing van het verzoek van TSP in stand. 22. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026. De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage Richtlijn (EU) 2016/797 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie Artikel 2 Definities In deze richtlijn wordt verstaan onder: (…) 32) “gebruiksgebied van een voertuig”: een of meer netwerken binnen een lidstaat of groep van lidstaten waarop een voertuig is bedoeld om te worden gebruikt; (…) Artikel 21 Vergunning om een voertuig in de handel te brengen 1. De aanvrager brengt een voertuig pas in de handel nadat het Bureau overeenkomstig de leden 5 tot en met 7, of de nationale veiligheidsinstantie overeenkomstig lid 8, een vergunning voor het in de handel brengen van dat voertuig heeft afgegeven. 2. In zijn aanvraag voor een vergunning om een voertuig in de handel te brengen geeft de aanvrager het gebruiksgebied van het voertuig aan. De aanvraag bevat bewijsstukken die aantonen dat de technische verenigbaarheid van het voertuig met het netwerk in het gebruiksgebied is gecontroleerd. (…) 10.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.