ECLI:NL:RBROT:2026:2803
RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer / rekestnummer: C/10/696632 / HA RK 25-277 Beschikking van 18 maart 2026 in de zaak van [verzoeker] , te [plaats], verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker], advocaat: mr. M.C.V. Dornstedt, tegen STICHTING ONDERSTEUNENDE DIENSTEN CURAMARE, te Dirksland, verwerende partij, hierna te noemen: CuraMare, advocaten: mrs. M.H.G. van de Mortel en J.S.C. Bos.
1De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
2Het verzoek van [verzoeker] 2.1. verzoekt de rechtbank om, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een deskundige te benoemen en aan hem te bevelen voorlopig deskundigenonderzoek te doen over de in het verzoekschrift opgenomen onderwerpen, met bepaling dat de deskundigenkosten ten laste van CuraMare komen, kosten rechtens.
2.2.
Aan het verzoek heeft [verzoeker] – kort samengevat – onder meer ten grondslag gelegd dat zij voor CuraMare werkt, maar CuraMare haar wettelijke verplichtingen uit de arbeidsomstandighedenregelgeving en uit goed werkgeverschap op grond van artikel 7:611 BW niet nakomt. Het voorlopig deskundigenonderzoek zou moeten gaan over de uitval van [verzoeker] doordat CuraMare niet een veilige werkomgeving heeft gecreëerd voor [verzoeker], aldus [verzoeker].
2.3.
CuraMare heeft nog geen verweer gevoerd tegen het verzoek van [verzoeker].
3Het verwijzingsverzoek van CuraMare 3.1.
CuraMare verzoekt de rechtbank om deze zaak te verwijzen naar de sector kanton van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam op grond van het bepaalde in artikel 71 lid 2 Rv. CuraMare verzoekt de rechtbank hierop te beslissen voordat de mondelinge behandeling, gepland op 2 april 2026, zal plaatsvinden ter waarborging van een efficiënt debat in rechte.
3.2.
Aan dit verwijzingsverzoek legt CuraMare ten grondslag dat een verzoek tot het bevelen van een voorlopige bewijsverrichting op grond van artikel 197 lid 1 Rv wordt gedaan aan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn van de bodemzaak kennis te nemen. In een zaak die door de kantonrechter moet worden behandeld en beslist, wordt het verzoek aan de kantonrechter gedaan. Zaken betreffende arbeidsrechtelijke geschillen behoren op grond van artikel 93 aanhef en onder c Rv tot de exclusieve bevoegdheid van de kantonrechter. Het deskundigenonderzoek dat [verzoeker] verzoekt, ziet op een arbeidsrechtelijk geschil. Het verzoek van [verzoeker] strekkende tot het bevelen van een deskundigenonderzoek moet daarom ook aan de kantonrechter worden voorgelegd.
3.3.
Hoewel [verzoeker] meent dat de rechtbank ook bevoegd is kennis te nemen van haar verzoek strekkende tot het bevelen van een deskundigenonderzoek, refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank. Als daarbij sprake is van een kostenveroordeling, hoort deze ten laste te komen van CuraMare, gelet op de geruime tijd dat dit verzoek al bij de rechtbank voorligt en CuraMare dit formele punt eerst relatief kort voor de mondelinge behandeling van 2 april 2026 maakt. Een kostenveroordeling hoort om die reden in ieder geval niet ten laste van haarzelf te komen, aldus [verzoeker].
4De beoordeling van het verwijzingsverzoek 4.1.
In verzoeken strekkende tot het bevelen van een voorlopige bewijsverrichting is bevoegd de rechter die vermoedelijk bevoegd is kennis te nemen van het geschil in de bodemzaak. Als die zaak door de kantonrechter moet worden behandeld en beslist, wordt het verzoek gedaan aan de kantonrechter (artikel 197 lid 1 Rv).
4.2.
De rechtbank stelt vast dat het achterliggende geschil waarover het verzochte voorlopige deskundigenbericht gaat, een arbeidsrechtelijk geschil betreft. De kantonrechter is als enige bevoegd om te oordelen in arbeidsrechtelijke geschillen (artikel 93 aanhef en onder c Rv). Daarom moet het verzoek van [verzoeker] aan de kantonrechter worden voorgelegd.
4.3.
Gelet hierop moet de rechtbank het verzoek van [verzoeker] verwijzen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank (artikel 71 lid 2 Rv).
4.4.
De mondelinge behandeling van 2 april 2026 bij de rechtbank vindt hierom geen doorgang.
4.5.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling (artikel 289 Rv).
5De beslissing De rechtbank 5.1. verwijst het verzoek in de stand waarin dat zich bevindt naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank, locatie Rotterdam, waarna de kantonrechter zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren;
5.2. wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen;
5.3. wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge artikel 8 lid 4 WGBZ zal worden verlaagd en dat het te veel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Rop en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.
3718/2819