ECLI:NL:RBROT:2026:3622
Rechtbank Rotterdam Meervoudige kamer strafzaken Parketnummer: 10.111720.25 Parketnummer vordering tenuitvoerlegging (TUL): 10-009494-23 Datum uitspraak: 26 maart 2026 Datum zitting: 12 maart 2026 Tegenspraak Verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats] , ingeschreven op het adres: [detentieadres] [postcode] [detentieplaats] , gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] ( [detentieafdeling] ).
Advocaat van de verdachte: mr. N. Stegerhoek Officier van justitie: mr. H.H. Balk Benadeelde partijen: [benadeelde 1] en [benadeelde 2] Advocaat van de benadeelde partijen: mr. M.S.L. Leeflang Kern van het vonnis De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden voor een gewelddadige woningoverval waarbij hij samen met anderen enig goed heeft weggenomen en voor een wederrechtelijke vrijheidsberoving.
1Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij samen met anderen een woningoverval heeft gepleegd en daarbij heeft gedreigd met geweld en ook daadwerkelijk geweld heeft gebruikt (feit 1) en dat hij samen met anderen [slachtoffer 1] heeft gegijzeld dan wel [slachtoffer 1] wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd (feit 2). De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:
2Bewijs 2.1.
Vordering van de officier van justitie De verdachte moet worden veroordeeld voor feit 1 en voor feit 2 impliciet subsidiair. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.2.
Conclusie van de verdediging De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3.
Oordeel van de rechtbank 2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen Bewezen is dat de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de eendaadse samenloop van een gewelddadige woningoverval waarbij enig goed is weggenomen (feit 1) en wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 2 impliciet subsidiair). De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen. In paragraaf 2.3.2 legt de rechtbank waarom zij bepaalde onderdelen van de beschuldiging niet bewezen acht en ook waarom zij van oordeel is dat de gijzeling (feit 2 impliciet primair) niet bewezen kan worden. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
2.3.2.
Bewijsoverwegingen Feit 1 Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachten de woning met een Lidl tasje hebben verlaten en dat zij dit tasje vervolgens van de tweede verdieping naar beneden hebben gegooid. Op de – in het dossier aanwezige – camerabeelden is te zien dat het Lidl tasje een beperkte capaciteit heeft en dat het niet helemaal gevuld is. De rechtbank acht het ondenkbaar dat er twee paar schoenen, een jas, sieraden en een kluisje met geld in de tas hebben gezeten. Hierbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat in het geval dat het Lidl tasje wel was gevuld met al deze goederen minst genomen een paar van deze goederen bij het naar beneden gooien van het tasje eruit zouden zijn gevallen. Hiervan is geen sprake geweest. Uit de camerabeelden blijkt evenmin dat die goederen op een andere wijze door de verdachten zijn meegenomen. Dit betekent dat de rechtbank er niet van overtuigd is dat de verdachten de in de beschuldiging genoemde sieraden, schoenen, jas en kluis met € 3000,- hebben weggenomen. De rechtbank is er ook niet van overtuigd dat het in de beschuldiging opgenomen geldbedrag van € 500,00 is weggenomen van het slachtoffer [slachtoffer 1] , nu hij daarover wisselend heeft verklaard. Deze onderdelen van de beschuldiging kunnen dus niet worden bewezen.
Feit 2 De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de verdachten niet een ander dan het van zijn vrijheid beroofde slachtoffer [slachtoffer 1] hebben gedwongen iets te doen of niet te doen. Dat betekent dat van gijzeling, zoals bedoeld in artikel 282a van het Wetboek van Strafrecht, geen sprake is. De verdachte wordt dus vrijgesproken van de impliciet primair tenlastegelegde variant.
2.3.3.
Volledige bewezenverklaring Bewezen is dat:
3Kwalificatie en strafbaarheid 3.1.
Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op: de eendaadse samenloop van 1. diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld, tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
3.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4Straf 4.1.
Eis van de officier van justitie De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 3.000,-.
4.2.
Standpunt van de verdediging Aan de verdachte moet, gelet op soortgelijke zaken, een lagere straf worden opgelegd dan dat is geëist.
4.3.
Oordeel van de rechtbank De verdachte heeft met anderen een woning overvallen om uit die woning een tas met inhoud weg te nemen. Daarbij heeft hij met die anderen onder andere [slachtoffer 1] in de woning vastgebonden met tiewraps. De verdachten zijn berekend te werk gegaan. Zo hebben zij schilderspakken aangeschaft als vermomming en liepen zij rond met verf en kwasten. De vlucht was ook geregeld. Er stond een auto klaar waarin de verdachten met een derde onbekend gebleven man zijn vertrokken. De verdachte heeft naar eigen zeggen geholpen bij deze overval op verzoek van een ander en zou hiervoor € 5.000,- ontvangen. Het gaat om zeer ernstige feiten. De hele situatie moet voor het slachtoffer zeer intimiderend en beangstigend zijn geweest. De verdachte heeft zich enkel bekommerd om zijn eigen financieel gewin.
Gelet op de ernst van de strafbare feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank neemt, conform de oriëntatiepunten voor een woningoverval met licht geweld, een gevangenisstraf van 36 maanden als uitgangspunt. Het vastbinden van het slachtoffer kwalificeert de rechtbank als meer dan licht geweld, dit is een strafverhogende factor. De rechtbank weegt het strafblad van de verdachte, waaruit blijk dat hij eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten, in strafverzwarende zin mee. Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 42 maanden passend en geboden is.
In aanvulling hierop acht de rechtbank oplegging van de gevorderde zogenoemde afroomboete niet op zijn plaats.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
5Vorderingen van de benadeelde partijen 5.1. [benadeelde 2] (feit 1) [benadeelde 2] heeft als benadeelde partij € 4.815,31 als vergoeding voor materiële schade en € 2.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
De verdachte is vrijgesproken van het wegnemen van de goederen die de benadeelde partij als materiële schadeposten opvoert. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij eveneens niet-ontvankelijk voor wat betreft de gevorderde immateriële schade. Dit deel van de vordering is niet onderbouwd en wordt betwist door de verdediging. Nader onderzoek naar de gegrondheid van de gevorderde schade levert een onevenredige belasting van het strafproces op.
De vordering kan alleen nog bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de door de benadeelde partij ingediende vordering, omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
5.2. [benadeelde 1] (feiten 1 en 2) [benadeelde 1] heeft als benadeelde partij € 500,- als vergoeding voor materiële schade en € 4.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
De verdachte is vrijgesproken van het wegnemen van het goed dat de benadeelde partij als materiële schadepost opvoert. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering. Dit deel van de vordering kan alleen nog bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft als gevolg van de strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft lichamelijk letsel opgelopen (namelijk striemen op de polsen en een hersenschudding) en hij is op andere wijze in zijn persoon aangetast. De verdachten zijn de woning waarin de benadeelde partij zich bevond binnengedrongen, hebben hem geduwd en zij hebben hem vastgebonden met tiewraps waarna zij de woning hebben verlaten en de benadeelde partij vastgebonden hebben achtergelaten. Dit moet buitengewoon beangstigend voor hem zijn geweest. De afloop van de hele situatie was voor de benadeelde partij onzeker. De getuige heeft ook verklaard dat hij de benadeelde partij hevig trillend en vastgebonden aantrof. De aard en de ernst van de normschending zijn dusdanig ingrijpend dat het voor de hand ligt dat dit nadelige gevolgen heeft gehad voor de benadeelde partij. De rechtbank neemt aan dat bij de benadeelde partij sprake is van enig psychisch letsel. Die schade wordt, de Rotterdamse schaal in aanmerking nemend, naar billijkheid begroot op € 1.000,-. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 1.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dat deel van de vordering kan alleen nog bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De verdachte heeft de strafbare feiten waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders gepleegd. Zij zijn daarom hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededader(s) de schadevergoeding (voor een deel) heeft/hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
De schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering voor een deel wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 10 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6Vordering tot tenuitvoerlegging De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 2 maanden, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.
De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen.
De verdediging heeft verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, omdat het om een anders soort feit gaat en omdat het feit lang geleden is gepleegd.
De rechtbank overweegt dat de bewezen feiten tijdens de proeftijd zijn gepleegd. Door het plegen van de feiten heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan de voorwaardelijke gevangenisstraf verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen. Daarom wordt de vordering toegewezen en beslist de rechtbank tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte van de straf.
7Wettelijke voorschriften De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 47, 55, 282 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
8Beslissingen De rechtbank:
Vrijspraak verklaart niet bewezen dat de verdachte het impliciet primair tenlastegelegde feit 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 impliciet subsidiair, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten; verklaart de verdachte strafbaar;
Gevangenisstraf veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf 42 maanden; beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Vorderingen benadeelde partijen [benadeelde 2] (feit 1) verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] wat betreft de gevorderde materiële en immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk in de vordering; bepaalt dat deze vordering alleen nog kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de veroordeelde heeft gemaakt voor de verdediging tegen de betreffende vordering, en begroot deze kosten op € 0,-; [benadeelde 1] (feiten 1 en 2) veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [benadeelde 1] , te betalen een bedrag van € 1.000,- als vergoeding van immateriële schade en de wettelijke rente hierover vanaf 31 januari 2025 tot de dag van volledige betaling; verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk voor wat betreft het resterende deel van de gevorderde materiële en immateriële schadevergoeding; bepaalt dat dit deel van de vordering alleen nog kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis; legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] aan de staat € 1.000,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 31 januari 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 10 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op; bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededaders de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft/hebben vergoed;
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10-009494-23) beveelt de tenuitvoerlegging van de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, zoals opgelegd in het vonnis van de politierechter in Rotterdam van 30 maart 2023.
9Samenstelling rechtbank en ondertekening Dit vonnis is gewezen door: mr. J.F. Koekebakker, voorzitter, en mrs. J.A. Terstegge en M.A. Loenen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Soeteman griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 26 maart 2026.
Mrs. Loenen en Soeteman zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier [dossiernaam] .
Pagina’s 1 tot en met 11.
Pagina 14.
Verklaard tijdens de zitting van 12 maart 2026.
Pagina’s 23 en 24.
Zie het arrest van de Hoge Raad van 23 juni 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1695).