Rechtbank Rotterdam – ECLI:NL:RBROT:2026:3667
RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Zaaknummer: C/10/712169 / JE RK 25-2648 Datum uitspraak: 20 maart 2026 Beschikking van de meervoudige kamer in de zaak van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan: [naam moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1] , advocaat mr. G.E. van der Pols, kantoorhoudende in Rotterdam, [naam vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats 2] .
1Het verloop van de procedure 1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 februari 2026. Daarbij waren aanwezig: de vader; de moeder en haar advocaat;
2De feiten 2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 6 juli 2022 is bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige] bij de moeder zal zijn en is de onderlinge regeling opgenomen die de ouders over de omgang met [voornaam minderjarige] hebben getroffen, te weten:
2.3.
Bij beschikking van de meervoudige kamer van 10 september 2025 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 6 oktober 2026.
3De verzoeken 3.1.
De GI heeft een geschil aan de rechtbank voorgelegd met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Op 18 december 2025 heeft de GI verzocht om:
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De vader heeft een verweerschrift, tevens bevattende zelfstandige verzoeken ingediend en daarin het volgende verzocht:
Primair 1. de verzoeken van de GI van 18 december 2025 ex artikel 1:262b BW integraal af te wijzen, nu deze: a. a) niet zien op een afgebakend geschil over de uitvoering van de ondertoezichtstelling,
II. Subsidiair uitsluitend indien en voor zover de rechtbank meent dat een ordenende beslissing noodzakelijk is een tijdelijke, ordende uitvoeringsmaatregel ex artikel 1:262b BW te treffen, zonder uitbreiding van bevoegdheden van de GI, inhoudende dat:
A. Kerngeschil 1 - Regie en hulpverlening (gezinsplan / doelstelling OTS / Youthcare) 7. de GI wordt opgedragen binnen 14 dagen na beschikking een schriftelijk en toetsbaar gezinsplan te overleggen aan beide ouders en de rechtbank, waarin expliciet en concreet zijn vastgelegd: a. a) de doelstellingen van de ondertoezichtstelling (SMART geformuleerd);
B. Kerngeschil 2 - BSO, overdracht en financiële uitvoerbaarheid (SVB-hoofdaanvragerschap) 10. te bepalen dat de moeder en de GI volledige medewerking dienen te verlenen aan het herstel van de overdrachtsstructuur via school en/of BSO, conform de bestaande beschikkingen;
C. Kerngeschil 3 - Waarheidsvinding paspoort/verblijf (art. 22 Rv / onthouding kwalificaties
D. Kerngeschil 4 - Niet-nagekomen vakantieregeling - aanwijzen als geldend en verbod aanvullende voorwaarden 15. te bepalen dat de in samenspraak vastgestelde vakantieregeling, zoals benoemd in de beschikking van 17 oktober 2025 in r.o. 4.2 (en zoals aangehecht), als geldende uitvoeringsregeling wordt aangewezen;
III. proceskosten 18. de GI te veroordelen in de proceskosten van de vader, althans deze kosten niet te compenseren, nu: a. a) de procedure is veroorzaakt door het structureel nalaten van de GI om uitvoering te geven aan haar wettelijke taken ex artikel 3.3 Jeugdwet;
IV.
Meer subsidiair 20. iedere andere voorziening te weigeren die: a. a) strekt tot uitbreiding van bevoegdheden van de GI;
3.3.
De moeder heeft een verweerschrift, tevens bevattende zelfstandige verzoeken ingediend, inhoudende:
4De standpunten 4.1.
De GI heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd en als volgt nader toegelicht.
In het belang van [voornaam minderjarige] moet er veel voor haar worden geregeld. Om het voeren van meerdere procedures te voorkomen, heeft de GI ervoor gekozen om alle verzoeken in het kader van de geschillenregeling aan de rechtbank voor te leggen. Na overleg met een jurist van de GI heeft de jeugdbeschermer begrepen dat hij het geschil rondom de omgang in deze geschillenregeling kon meenemen. Door gebrek aan tijd heeft er geen verder overleg met de juridische afdeling over de door de vader aangevoerde punten kunnen plaatsvinden. De communicatie en de samenwerking met de vader verlopen moeizaam.
In het kader van een door de rechtbank vastgelegde 50/50-regeling is het de bedoeling dat [voornaam minderjarige] de helft van de tijd bij de vader is en dat zij de andere helft van de tijd bij de moeder is. Al een geruime periode komt de vader deze regeling niet meer na. Sinds de kerst heeft [voornaam minderjarige] geen contact meer met de vader gehad. [voornaam minderjarige] verblijft feitelijk alle dagen bij de moeder. Zij moeten vanuit hun woonplaats [woonplaats 1] naar de school van [voornaam minderjarige] in Capelle aan den IJssel reizen. Het is in het belang van [voornaam minderjarige] dat zij naar een school in de omgeving van haar woonplaats wordt overgeplaatst. Daarover kunnen de ouders geen overeenstemming bereiken. Er zijn drie instanties betrokken. Er is diagnostiek nodig. De vader weigert echter zijn akkoord te geven voor de hulpverlening die nodig is. De vader heeft geen handtekening geplaatst op het aanmeldformulier zodat de behandeling bij Youth Care niet kan starten. Daardoor komt voor [voornaam minderjarige] geen hulpverlening van de grond.
Ondanks diverse pogingen van de jeugdbeschermer is het niet gelukt om een afspraak met de vader te maken. Het eerste gesprek met de vader verliep fijn; daarna is het niet meer mogelijk gebleken om een afspraak te maken. Wel ontving de jeugdbeschermer SMS-berichten van de vader met nare teksten erin.
4.2.
De vader heeft ter zitting het volgende aangevoerd. De afgelopen vier jaren is er geen betrokkenheid van de GI geweest. Er hebben wel wisselingen van jeugdbeschermers plaatsgevonden. De vader is bereid om een communicatietraject te volgen. Volgens de jeugdbeschermer gaat het echter om een behandeltraject. De GI moet een opdracht geven aan Mevis en Mevis geeft vervolgens de opdracht aan de onderaannemer Youth Care. Zolang de GI dat niet doet, kan Youth Care geen behandeling inzetten. De vader zet verder geen handtekening op een aanmeldformulier terwijl niet duidelijk is welke behandeling zal worden ingezet. De vader heeft zelf met Youth Care contact opgenomen. Er heeft een intake bij Youth Care plaatsgevonden. De vader heeft vervolgens met Youth Care gesprekken gepland, waarbij de jeugdbeschermer verhinderd was.
Het is van belang dat de ouders zich aan de vastgelegde zorgregeling houden. De moeder wil de regeling echter niet nakomen. Voor het nakomen van de regeling is de vader ook afhankelijk van de BSO, maar hij kan de kosten daarvan niet meer betalen.
De vader heeft met de jeugdbeschermer telefonisch contact opgenomen om de situatie op te lossen, waarbij de jeugdbeschermer heeft aangegeven dat hij daarop geen actie zal ondernemen. De vader heeft zelfstandige verzoeken ingediend als een oplossing om het geschil te beslechten en hij stelt [voornaam minderjarige] centraal.
4.3.
Namens en door de moeder is ter zitting het volgende aangevoerd. De zelfstandige verzoeken van de moeder hebben een samenhang met de verzoeken van de GI.
Het lukt de ouders niet om een veilige opvoedomgeving voor [voornaam minderjarige] te creëren. De moeder neemt alleen de zorg voor [voornaam minderjarige] op zich, nu de vader haar niet ophaalt en momenteel zijn rol niet op zich neemt. Dat is betreurenswaardig voor [voornaam minderjarige] . De vader komt de zorgregeling niet meer na. Ook heeft de vader de buitenschoolse opvang (BSO) afgezegd. De vader dient bij de rechtbank veel zeer gedetailleerde stukken in. De moeder wil echter dat hij zijn aandacht besteedt aan [voornaam minderjarige] . Zij heeft er veel last van dat zij niet weet wanneer zij haar vader ziet. [voornaam minderjarige] is gebaat bij voorspelbaarheid en rust. Het is juridisch lastig om de gehele regie over de omgang bij de GI neer te leggen.
De moeder moet elke schooldag vanuit haar woonplaats [woonplaats 1] naar Capelle aan den IJssel reizen om [voornaam minderjarige] naar school te brengen. Dat kan niet langer van haar worden gevergd. De moeder vraagt dan ook vervangende toestemming voor het inschrijven van [voornaam minderjarige] op de school [naam school] in Rotterdam. De GI heeft dit ook verzocht, maar heeft in het verzoek niet de naam van de school vermeld.
Hulpverlening en ondersteuning kunnen niet worden ingezet. Hulpverlening van Needed People is niet van de grond gekomen, omdat de vader niet wilde meewerken. De behandeling bij Youth Care is ook niet gestart. De moeder en haar advocaat hebben niet de indruk dat de vader aan het traject bij Youth Care wil meewerken. Er zijn al veel zittingen geweest en de situatie is niet opgelost. Er is geen communicatie tussen de ouders meer mogelijk, terwijl er stappen moeten worden genomen. Daarom heeft de moeder verzocht om haar met het eenhoofdig gezag te belasten, zodat zij zelf hulp voor [voornaam minderjarige] kan inzetten.
5De beoordeling T.a.v. van de stukken en het audiobestand 5.1.
De rechtbank gaat er vanuit dat alle belanghebbenden over de hiervoor bij punt 1.1 vermelde stukken beschikken, met uitzondering van het audiobestand. Eerder door de rechtbank/kinderrechter gewezen beslissingen zijn in het verleden aan alle belanghebbenden verstuurd. De vader beschikt over de e-mailberichten die hij heeft verzonden of die hij heeft ontvangen. De rechtbank gaat er verder vanuit dat de vader in een eerder stadium het gezinsplan heeft ontvangen; rechtstreeks van de GI en ook van de rechtbank als bijlage bij het verzoekschrift van de GI. Mocht de vader onverhoopt het gezinsplan niet hebben ontvangen, dan kan hij zich er nog over uitlaten, indien hij dat wenst, omdat de rechtbank in deze procedure geen eindbeschikking, maar een tussenbeschikking zal wijzen.
5.2.
Artikel 1.11 van het procesreglement luidt, voor zover van belang: “Bij het overleggen van gegevens, stukken of multimediabestanden moeten partijen aangeven ter toelichting of staving van welke stelling deze zijn bedoeld en welk onderdeel daartoe van belang is. Partijen moeten bij audio- en videobestanden aangeven op welke minuut/minuten het voor de procedure relevante deel staat en van dat deel een transcriptie overleggen. Indien hieraan niet voldaan wordt, kan de rechter de overgelegde gegevens of stukken of multimediabestanden buiten beschouwing laten.” Aangezien de vader niet heeft aangegeven ter toelichting op of er staving van welke stelling welk deel van het door hem ingebrachte audiobestand relevant is, laat de rechtbank de inhoud ervan buiten beschouwing. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de vader een transcriptie van het audiobestand heeft overgelegd als productie 24 bij zijn verweerschrift.
T.a.v. van de verzoeken 5.3.
Op grond van artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen, die omtrent gedragingen als bedoeld in artikel 4.2.1 Jeugdwet, uitgezonderd, aan de kinderrechter worden voorgelegd. De kinderrechter neemt op verzoek van een met het gezag belaste ouder, de minderjarige van twaalf jaar of ouder, de gecertificeerde instelling, degene die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, of de zorgaanbieder of de aanbieder van de jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 Jeugdwet, waar de minderjarige is geplaatst, een zodanige beslissing als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. Hij beproeft alvorens te beslissen een vergelijk tussen de betrokkenen.
5.4.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de bij beschikking van 6 juli 2022 vastgestelde zorgregeling niet wordt nagekomen. De ouders verwijten elkaar over en weer dat zij de regeling niet nakomen. Zij zijn niet in staat om in het belang van hun dochter [voornaam minderjarige] samen te werken en te communiceren. De vader stelt dat hij de regeling niet meer kan nakomen, omdat hij geen beroep meer kan doen op de BSO. Volgens de GI werkt de vader in het kader van de ondertoezichtstelling structureel niet mee en verloopt het contact met de vader zeer moeizaam. In zijn verweerschrift bestrijdt de vader de verwijten die de GI hem maakt en heeft hij incidenten beschreven ter onderbouwing van zijn standpunt dat de GI faalt in de uitvoering van de ondertoezichtstelling.
5.5.
Onder punt 1.1. heeft de GI op grond van artikel 1:262b BW vanwege de huidige situatie verzocht om de omgangsregeling door de GI te laten bepalen. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
5.6.
De GI kan een wijziging van een door de rechter vastgestelde zorg- en omgangsregeling slechts verzoeken op basis van artikel 1:265g BW. De door de GI genoemde wettelijke grondslag van het verzoek is dus niet juist. Dit maakt echter niet dat dit onderdeel van het verzoek niet-ontvankelijk zal worden verklaard of zal worden afgewezen. Gezien het bepaalde in artikel 25 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en omdat het in het belang van de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] is dat zij contact met haar beide ouders heeft, vat de rechtbank het verzoek van de GI onder punt 1.1. op als een verzoek op grond van art 1:265g BW.
5.7.
De rechtbank constateert dat de visies van de moeder, de vader en de GI zodanig uiteenlopen dat [voornaam minderjarige] geen recht wordt gedaan. Door het niet nakomen van de zorgregeling zit zij klem en heeft zij al lange tijd geen omgang meer met haar vader. Dit zorgt voor onrust voor haar. Daardoor moet de moeder [voornaam minderjarige] ook elke schooldag vanuit [woonplaats 1] naar haar school in Capelle aan den IJssel brengen. Dit is een belasting voor [voornaam minderjarige] . De moeder wil daarom onder meer dat [voornaam minderjarige] op een school in Rotterdam wordt ingeschreven. Ook wil de moeder dat [voornaam minderjarige] de behandeling krijgt die zij nodig heeft. De vader wil daar niet aan meewerken. Hij wil geen toestemming geven, als hij niet weet om welke behandeling het gaat. Namens de moeder zijn daarom zelfstandige verzoeken gedaan betreffende de vervangende toestemming voor inschrijving van [voornaam minderjarige] op de basisschool [naam school] in Rotterdam en beëindiging van het gezamenlijk gezag. De vader heeft onder punt D Kerngeschil een zelfstandig verzoek gedaan betreffende het nakomen van de vakantieregeling.
5.8.
Op grond van artikel 282, vierde lid, Rv mag een verweerschrift een zelfstandig verzoek bevatten, mits dit betrekking heeft op het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek. De rechtbank is, anders dan de vader, van oordeel dat er voldoende samenhang is tussen het verzoek van de GI onder punt 1.1. en de zelfstandige verzoeken van de moeder. De rechtbank zal deze verzoeken daarom meenemen bij de beoordeling. Datzelfde geldt voor het hiervoor vermelde zelfstandige verzoek van de vader. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting heeft de rechtbank echter onvoldoende informatie om op deze (zelfstandige) verzoeken van de GI en de ouders te kunnen beslissen. De rechtbank ziet gezien de situatie aanleiding om de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht, (hierna de Raad) te verzoeken om onderzoek te doen naar het gezag, de zorgregeling, de schoolse situatie en de uitvoerbaarheid van de ondertoezichtstelling en naar wat de Raad in het belang van [voornaam minderjarige] verder relevant vindt.
5.9.
De Raad wordt verzocht om tegen de hierna vermelde pro forma datum aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen, met afschrift aan de GI, de belanghebbenden en de advocaat van de moeder.
5.10.
Naar het oordeel van de rechtbank dienen de verzoeken van de GI onder de punten 1.2., 1.3., 1.4. en 2. onder a en b te worden afgewezen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
5.11.
Onder punt 1.2 heeft de GI de rechtbank verzocht om een beslissing te nemen over het geschil aangaande (emotionele) toestemming van de vader voor het starten van de hulpverlening aan [voornaam minderjarige] , dan wel vervangende toestemming van de rechtbank.
5.12.
Wanneer sprake is van een ondertoezichtstelling is voor het verlenen van jeugdhulp aan de minderjarige geen toestemming nodig van de ouders met gezag (artikel 7.3.4. Jeugdwet), tenzij deze jeugdhulp een geneeskundige behandeling betreft. In dat geval is toestemming van de ouder(s) met gezag vereist (artikel 7:465 BW). Indien die toestemming door ouder(s) wordt geweigerd, kan de GI vervangende toestemming verzoeken aan de rechtbank (artikel 1:265h BW). Indien de ouder met gezag weigert mee te werken aan jeugdhulp (niet zijnde een geneeskundige behandeling) kan de jeugdbeschermer die ouder een schriftelijke aanwijzing geven om medewerking te verlenen (1:263 BW). Bij niet opvolgen van die schriftelijke aanwijzing kan de GI de kinderrechter verzoeken die schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen, al dan niet met oplegging van een dwangmiddel.
5.13.
De rechtbank is van oordeel dat de GI haar verzoek aangaande emotionele toestemming van de vader dan wel vervangende toestemming van de rechtbank voor hulpverlening onvoldoende heeft onderbouwd. Zo is niet vermeld welke hulpverlening wordt beoogd, of het medische of niet medische hulpverlening betreft, en hoe de GI het voor zich ziet dat de rechtbank de vader zou kunnen bewegen emotionele toestemming te geven. Dit verzoek kan de rechtbank dan ook niet beoordelen. De overige verzoeken van de GI aan de vader onder de punten 1.3. en 1.4. zijn naar het oordeel van de rechtbank eveneens onvoldoende onderbouwd, onvoldoende bepaald dan wel onuitvoerbaar.
5.14.
Onder punt 2.a. heeft de GI verzocht om vervangende toestemming te verlenen voor de medische behandeling bij Youth Care Nederland, dan wel bij een volgende behandelinstelling. In het verzoek en tijdens de behandeling ter zitting heeft de GI niet (nader) onderbouwd wat de behandeling bij Youth Care Nederland inhoudt. Evenmin heeft de GI toegelicht of deze behandeling is aan te merken als een medische behandeling in de zin van de wet geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO), gericht op de behandeling van een somatische of geestelijke aandoening bij [voornaam minderjarige] , waarvoor eventueel vervangende toestemming nodig is. Ook kan de rechtbank niet beoordelen of deze medische behandeling noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van [voornaam minderjarige] af te wenden (artikel 1:265h BW).
5.15.
Verder heeft de GI onder punt 2.b. verzocht om vervangende toestemming te verlenen voor de overplaatsing van [voornaam minderjarige] naar een school dichter in de buurt van haar daadwerkelijke woonplaats.
De rechtbank laat de vraag in het midden of er een wettelijke grondslag bestaat voor dit verzoek (ECLI:NL:RBGEL:2023:3197), nu de moeder een gelijkluidend zelfstandig verzoek heeft ingediend (zie hiervoor punt 5.7.). De GI heeft daarom geen belang meer bij een beslissing op dit verzoek.
5.16.
De rechtbank zal de verzoeken van de GI onder de punten 1.2., 1.3., 1.4. en 2. onder a en b op grond van vorenstaande dan ook afwijzen.
6De beslissing De rechtbank:
6.1. wijst af de verzoeken van de GI onder de punten 1.2., 1.3., 1.4. en 2. onder a en b van het verzoekschrift;
6.2. houdt de behandeling van het verzoek van de GI onder punt 1.1. en de zelfstandige verzoeken van de moeder en de vader aan;
En alvorens verder te beslissen:
6.3. bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 september 2026 pro forma;
6.4. bepaalt dat de GI, de belanghebbenden en de advocaat van de moeder op de genoemde pro forma-datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;
6.5. verzoekt de Raad uiterlijk op de genoemde pro forma datum de rechtbank de verzochte rapportage te doen toekomen, met afschrift aan de belanghebbenden en de advocaat.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.J. de Nijs, voorzitter, tevens kinderrechter, en mr. G.M. Paling en mr. L.L.H. Roebroek, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026, in aanwezigheid van D. van der Aa als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.