Rechtbank Rotterdam – ECLI:NL:RBROT:2026:3948
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/4685, ROT 24/4686 en 24/4687 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 8 april 2026 in de zaak tussen [naam eiser] , uit [plaats] , eiser en de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam. (gemachtigde: mr. R.M.S. Mahboeb) Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 4 april 2024.
1.1.
Met de aanslagbiljetten van 31 januari 2023 en 7 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar de WOZ-waarden van de volgende onroerende zaken (de woningen) in Rotterdam op 1 januari 2022 (waardepeildatum) vastgesteld:
Zaaknummer Onroerende zaak WOZ-waarde ROT 24/4685 [adres 1] € 731.000,- ROT 24/4686 [adres 2] € 366.000,- ROT 24/4687 [adres 3] € 373.000,- 1.2.
De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarden van de woningen gehandhaafd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 23 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde namens de heffingsambtenaar.
Beoordeling door de rechtbank 2. Bij e-mailbericht van 5 september 2025 heeft de heffingsambtenaar een compromisvoorstel gedaan, waarmee eiser akkoord is gegaan. De WOZ-waarden van de woningen worden als volgt vastgesteld:
Zaaknummer Onroerende zaak (Nieuwe) WOZ-waarde ROT 24/4685 [adres 1] € 610.000,- ROT 24/4686 [adres 2] € 348.000,- ROT 24/4687 [adres 3] € 352.000,- 3. De beroepen zijn gegrond voor zover eiser beroep heeft ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarden. De heffingsambtenaar is tegemoetgekomen aan de beroepen van eiser. Omdat eiser tijdig beroep heeft ingesteld en zijn beroepen gegrond zijn voor zover het de WOZ-waarden betreft, moet de heffingsambtenaar de proceskosten van eiser vergoeden.
Zijn de beroepen ontvankelijk?
5.1.
De rechtbank volgt de heffingsambtenaar niet. Een brief waarin door het bestuursorgaan wordt geschreven dat geen geldige ingebrekestelling is gedaan, is volgens de jurisprudentie in beginsel een besluit tot afwijzing van een dwangsom. In de brief van 14 maart 2024 stelt de heffingsambtenaar zich op het standpunt dat geen geldige ingebrekestelling is gedaan en dat hij daarom geen dwangsom heeft verbeurd. Naar het oordeel van de rechtbank behelst de brief in zoverre een publiekrechte rechtshandeling en is daarom sprake van een besluit. De beroepen van eiser zijn in zoverre ontvankelijk. Dat de gemachtigde van de heffingsambtenaar betwijfelt of jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State werking heeft in deze zaak, maakt dit oordeel niet anders. Dezelfde (bestuursrechtelijke) rechtsvraag is door één van de hoogste bestuursrechters beantwoord. Niet valt in te zien waarom de Hoge Raad, de hoogste rechter in belastingzaken, anders zal oordelen over dezelfde rechtsvraag.
Kan de rechtbank een oordeel geven over de dwangsombesluiten in zaken ROT 24/4685 en ROT 24/4687?
5.2.
Nu de WOZ-waarden niet meer in geschil zijn, staat de rechtbank vervolgens voor de vraag of zij de beroepen ROT 24/4685 en ROT 24/4687 tegen het dwangsombesluit in behandeling kan nemen. Die vraag beantwoordt zij bevestigend. De heffingsambtenaar heeft in deze zaken op 4 april 2024 uitspraken op bezwaar gedaan. In die zaken heeft de heffingsambtenaar op 17 maart 2024 een (tweede) ingebrekestelling ontvangen van de gemachtigde van eiser en daarom een dwangsombesluit genomen. De termijn was met één dag overschreden. Daarom is een dwangsom toegekend van € 23,- per zaak. Eiser betwist in zijn beroepschriften de hoogte van de dwangsommen, omdat hij vóór zijn gemachtigde in de bezwaarfase een rechtsgeldige ingebrekestelling heeft verstuurd.
5.2.1.
Het dwangsombesluit van 3 april 2024 is gericht aan de gemachtigde van eiser in de bezwaarfase. Op grond van artikel 4:19, eerste lid, van de Awb heeft het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen een beschikking op aanvraag mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom die wordt verbeurd indien die beschikking niet tijdig wordt gegeven, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. Dat betekent dat eiser, in geval hij bezwaar of beroep heeft ingesteld tegen de beschikking op aanvraag, zijn eventuele bezwaren tegen de beschikking ter vaststelling van de hoogte van de dwangsom in die procedure kan inbrengen.
Wat is de hoogte van de dwangsom in ROT 24/4685 en ROT 24/4686?
8.1.
Omdat eiser een rechtsgeldige ingebrekestelling heeft gestuurd die door de heffingsambtenaar op 5 maart 2024 is ontvangen, is het beroep gegrond en zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien. De rechtbank zal daarom de hoogte van de dwangsom als volgt bepalen.
8.2.
Op grond van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Het tweede lid bepaalt dat de dwangsom de eerste veertien dagen € 23,- per dag bedraagt, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Volgens het derde lid van artikel 4:17 van de Awb, is de eerste dag waarover de dwangsom is verschuldigd, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
Heeft eiser recht op een dwangsom in zaak ROT 24/4686?
10.1.
Zoals in r.o. 8. is overwogen, heeft eiser op 28 februari 2024 een rechtsgeldige ingebrekestelling gestuurd. Die ingebrekestelling heeft hij ook in deze zaak gestuurd. Dat betekent dat naar het oordeel van de rechtbank de heffingsambtenaar ook in deze zaak een dwangsom heeft verbeurd. Zij stelt de dwangsom als volgt vast.
10.2.
De heffingsambtenaar heeft de ingebrekestelling op 5 maart 2024 ontvangen. De laatste dag waarop de heffingsambtenaar had om te beslissen was daarmee 19 maart 2024. Het bestreden besluit is genomen op 27 maart 2024, zodat een dwangsom is verschuldigd over een periode van in totaal acht dagen. De dwangsom dient te worden vastgesteld op € 184,-.
Welke proceskosten moet de heffingsambtenaar vergoeden?
12.1.
Naar het oordeel van de rechtbank komen in aanmerking kosten van tijdverzuim ten behoeve van het bijwonen van een zitting en de heen- en terugreis. De rechtbank berekent de verletkosten daarom op grond van vijf uur. Dit betekent dat eiser recht heeft op verletkosten van een bedrag van € 545,-.
12.2.
Met betrekking tot de verzochte reiskosten, veroordeelt de rechtbank de heffingsambtenaar in de door eiser gemaakte proceskosten van € 40,80.
Conclusie en gevolgen 13. De beroepen zijn gegrond.
13.1.
Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de heffingsambtenaar aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen gegrond; vernietigt de uitspraken op bezwaar; vermindert de bij de beschikking vastgestelde waarde van de [adres 1] in zaak ROT 24/4685 tot een bedrag van € 610.000,-; vermindert de bij de beschikking vastgestelde waarde van de [adres 2] in zaak ROT 24/4686 tot een bedrag van € 348.000,-; vermindert de bij de beschikking vastgestelde waarde van de [adres 3] in zaak ROT 24/4687 tot een bedrag van € 352.000,-; vermindert de voor de [adres 1] in zaak ROT 24/4685 opgelegde aanslag onroerendezaakbelastingen tot een aanslag berekend naar een waarde van € 610.000,-;
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Vogtschmidt, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M. Helleman, griffier. Uitgesproken op 8 april 2026. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Den Haag vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ABRvS 17 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:409, r.o. 3.1.
Artikel 4:19, eerste lid, Awb.
Kamerstukken II 2004/05, 29 934, nr. 3, p. 10; Hoge Raad 6 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:1, r.o. 2.4.1.
Hoge Raad 29 september 1989, NJ 1990, 307 Artikel 4:17, derde lid, Awb.
14 * € 23,- + 1 * € 35,-.
8 * € 23,-.
Stb. 1993, 763, p. 7.
2 * € 357,- + 1 * € 184,-.