Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht Meervoudige kamer strafzaken Parketnummer: 10-324120-20 Datum uitspraak: 13 januari 2026 Data zittingen: 17 februari 2021 en 30 december 2025 Tegenspraak zonder aanwezigheid van de verdachte Verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats] ([geboorteland]), niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen, laatst opgegeven woon- of verblijfplaats: [adres]. Advocaat van de verdachte: mr. J. Fagel Officier van justitie: mr. I. Barendregt Kern van het vonnis Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij samen met een ander ongeveer 2.473 XTC-pillen (1.138,2 gram) opzettelijk aanwezig heeft gehad. Op de zitting stond ter discussie of de verdachte zich hieraan heeft schuldig gemaakt. De rechtbank oordeelt van niet en zal hieronder uitleggen waarom. 1Tenlastelegging De volledige tenlastelegging (hierna: beschuldiging) houdt in dat: hij op of omstreeks 23 december 2020 te Schiedam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2.473 XTC-pillen (1.138,2 gram), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. 2Vrijspraak 2.
- Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde feit dient worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken. 2.
- Conclusie van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het ten laste gelegde feit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken. 2.
- Oordeel van de rechtbank 2.3.
- Vrijspraak Met de verdediging en dus anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde feit niet kan worden bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Vaststelling van de feiten en omstandigheden Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 23 december 2020 werd in een Renault Clio met Frans kenteken een gebruikershoeveelheid pillen, vermoedelijk XTC, aangetroffen. Vermoed werd dat de inzittenden van dit voertuig mogelijk nieuwe pillen zouden gaan halen en om deze reden werd besloten dit voertuig te volgen. Tijdens de observatie werd waargenomen dat dit voertuig naast een Renault Megane met Frans kenteken [kenteken] parkeerde waarna werd besloten om beide voertuigen onder observatie te nemen. Waargenomen werd dat er vanuit de Renault Megane een aantal tasjes uit de achterbak werd gepakt en dat deze werden neergezet in de achterbak van de Renault Clio. Hierop werd besloten om beide voertuigen te controleren. Bij het doorzoeken van de Renault Megane werd onder de stoel van de bestuurder een wit/blauwkleurig plastic tasje van de Albert Heijn aangetroffen met daarin paarskleurige pillen. Nader onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut heeft uitgewezen dat deze pillen MDMA bevatten. Aanwezig hebben harddrugs Voor een bewezenverklaring van het aanwezig hebben van de drugs is vereist dat bij verdachte sprake was van wetenschap van de aanwezigheid van de drugs en dat hij daarover beschikkingsmacht had. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Ten aanzien van de Renault Megane met het Franse kenteken [kenteken] staat vast dat de medeverdachte ([medeverdachte], 10/324139-20) deze auto heeft gehuurd en heeft bestuurd en dat de verdachte als bijrijder in deze auto heeft gezeten. Bij de doorzoeking van deze auto is onder de bestuurdersstoel een blauwe Albert Heijn tas met daarin verdovende middelen, te weten MDMA, aangetroffen. Het enkele gegeven dat de verdachte op de bijrijdersstoel in deze auto heeft gezeten kan niet zonder meer leiden tot de conclusie dat hij wist van deze tas. Evenmin kan dan worden vastgesteld dat hij ook de beschikkingsmacht had over de daarin gevonden verdovende middelen. De verdachte ontkent het en ondersteunend bewijsmateriaal, zoals bijvoorbeeld het aantreffen van DNA-sporen van de verdachte op de tas en/of de verdovende middelen, ontbreekt. Dat er bij de insluitingsfouillering in de jaszak van de verdachte één paarskleurige pil is aangetroffen die lijkt op de pillen die in de tas zijn aangetroffen, is onvoldoende om daaromtrent anders te concluderen. De medeverdachte heeft verklaard, dat verdachte deze pillen had gekocht bij onbekende derden, die zich in een auto bevonden die vlakbij de Megane geparkeerd stond. Hij zou met deze pillen, heel kort voor zij door de politie zijn aangehouden, naar de Megane zijn gelopen. Medeverdachte zou de pillen vervolgens onder zijn stoel hebben gelegd. Die verklaring vindt echter nergens steun, ook niet in het proces-verbaal van het observatieteam van de politie, dat de situatie ter plaatse vanaf ongeveer 15 minuten tot aan de aanhouding heeft geobserveerd. De rechtbank kan daarom niet wettig en overtuigend bewezen verklaren dat de verdachte al dan niet samen met de medeverdachte harddrugs aanwezig heeft gehad. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken. 3In beslag genomen voorwerp 3.
- Standpunt van de officier van justitie en de verdediging Zowel de officier van justitie als de verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het in beslag genomen geldbedrag (€ 420,-) aan de verdachte dient te worden teruggegeven. 3.
- Oordeel van de rechtbank De rechtbank beslist tot de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag, te weten € 420,-, aan de verdachte. 4Beslissingen De rechtbank: verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij. In beslag genomen voorwerp - beveelt de teruggave van het geldbedrag, te weten € 420,-, aan de verdachte. 5Samenstelling rechtbank en ondertekening Dit vonnis is gewezen door: mr. A.P. Hameete, voorzitter, en mrs. R.P. van der Weide en B.E.M. van Andel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I. van Wuijckhuijse, griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 13 januari
- De voorzitter en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.