Rechtbank Rotterdam – ECLI:NL:RBROT:2026:4830
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 26/2353 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoekster], verzoekster (gemachtigde: mr. O.C. Bozbiyik), en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college (gemachtigden: mr. A.M.H. Dellaert en mr. P.A.M. Badal).
Procesverloop 1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een briefadres. Het college heeft hierop gereageerd bij e-mailbericht van 10 maart 2026. Verzoekster heeft tegen deze reactie bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van partijen.
1.2.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. Het verschuldigde griffierecht is in deze zaak € 200,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als de zitting eerder is, moet het verschuldigde griffierecht voor de zitting worden betaald. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026 door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Dit is geregeld in artikel 8:82 van de Awb in samenhang met artikel 8:41 van de Awb.