Rechtbank Rotterdam – ECLI:NL:RBROT:2026:5057
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 26/2630 uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 mei 2026 in de zaak tussen [verzoeker], uit Rotterdam, verzoeker (gemachtigde: mr. B. Özates), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV (gemachtigde: [naam]).
Inleiding 1. Met het besluit van 16 mei 2025 heeft het UWV verzoekers Ziektewetuitkering beëindigd per 20 april 2025, omdat verzoeker sinds die datum hersteld is. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter Toetsingskader 4. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht € 54,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
Heeft verzoeker het griffierecht tijdig betaald?
De nota is vervolgens op 17 april 2026 gemaild naar de gemachtigde van verzoeker, met het verzoek om het griffierecht per omgaande te betalen. Omdat het griffierecht op 23 april 2026 nog steeds niet was voldaan, heeft de griffier die dag telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde van verzoeker. Volgens de gemachtigde zou het verzoek om een voorlopige voorziening diezelfde dag nog worden ingetrokken.
Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
Conclusie en gevolgen 8. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Dit is geregeld in artikel 8:82 van de Awb in samenhang met artikel 8:41 van de Awb.