Rechtbank Rotterdam – ECLI:NL:RBROT:2026:5678
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/5107 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2026 in de zaak tussen [naam] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. G. Grijs), en de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB (gemachtigde: mr. P. Stahl-de Bruin).
Samenvatting 1.1.
Deze uitspraak gaat over een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Eiser is het niet eens met de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar, de toekenning van zijn AOW-pensioen met terugwerkende kracht van een jaar en de verrekening van een terugvordering op de nabetaling van zijn AOW-pensioen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB eisers bezwaar tegen de besluiten van 21 juli 2021 en 9 september 2021 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, dat de SVB eiser terecht een AOW-pensioen heeft toegekend vanaf 1 september 2023 en dat de SVB zijn vordering op eiser terecht heeft verrekend met de nabetaling van eisers AOW-pensioen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop 2.
2.1.
Met de besluiten van 21 juli 2021 heeft de SVB eisers AOW-pensioen vanaf augustus 2021 stopgezet (primair besluit 1) en zijn AIO-aanvulling opgeschort (primair besluit 2). Met de besluiten van 9 september 2021 heeft de SVB de AIO-aanvulling van eiser met ingang van 21 juni 2021 ingetrokken (primair besluit 3) en de te veel aan eiser betaalde AIO-aanvulling terug- en ingevorderd (primair besluit 4). Met het besluit van 17 oktober 2024 (primair besluit 5) heeft de SVB eiser opnieuw een AOW-pensioen toegekend vanaf 1 september 2023. Daarnaast heeft de SVB het bedrag aan AOW-pensioen dat eiser nog tegoed heeft over de periode van september 2023 tot en met september 2024, na verrekening met een terugvordering van € 617,40, vastgesteld op € 5.949,74.
2.2.
Met het bestreden besluit van 17 juni 2025 heeft de SVB eisers bezwaar tegen primaire besluiten 1, 2, 3 en 4 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen primair besluit 5 ongegrond verklaard.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen.
Beoordeling door de rechtbank Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen primaire besluiten 1, 2, 3 en 4 3. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen.
Toekenning met terugwerkende kracht 7. Eiser heeft aangevoerd dat het van hardheid zou getuigen om de terugwerkende kracht van het alsnog toegekende AOW-pensioen tot één jaar te beperken, omdat sprake is van een bijzonder geval. Eiser is na het overlijden van zijn vrouw namelijk ernstig in de war geweest.
Verrekening van de vordering van € 617,40 op de nabetaling De SVB stelt dat eiser in oktober 2024 vanwege de nabetaling een bedrag van € 5.949,74 van de SVB heeft ontvangen. Daarnaast heeft eiser in oktober 2024 ook zijn AOV-pensioen ontvangen van ongeveer € 195,-. Eiser heeft dit niet betwist. De SVB stelt terecht dat eisers inkomen daarmee in de maand van verrekening hoger is geweest dan de voor hem geldende beslagvrije voet. De SVB heeft zijn vordering op eiser dus mogen verrekenen met de nabetaling. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Eiser heeft zijn stelling dat voor de verrekening uit moet worden gegaan van het bedrag van de afzonderlijke maanden waaruit de nabetaling is opgebouwd, niet nader onderbouwd.
Conclusie en gevolgen 14. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. T.T. Nguyen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijvoorbeeld de uitspraak van 28 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1210.