Rechtbank Rotterdam – ECLI:NL:RBROT:2026:648
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/5690 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2026 in de zaak tussen ME Vereniging Nederland, uit Rotterdam, eiseres (gemachtigde: drs. G. den Broeder), en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (gemachtigden: mr. J.P. Bloos en mr. M.J. Janssen).
Inleiding 1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de ongegrondverklaring van haar bezwaar tegen de afwijzing van haar aanvraag om een instellingsubsidie voor patiënten- en gehandicaptenorganisaties voor het jaar 2024.
1.1.
De rechtbank heeft beroep op 19 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiseres en van de minister. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing 2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Motivering 3. Eiseres is een vereniging zonder volledige rechtsbevoegdheid. Daarmee voldoet zij niet aan het vereiste gesteld in artikel 4:66 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in de Subsidieregeling voor het subsidiëren van patiënten- en gehandicaptenorganisaties 2024-2028. Zoals ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar uitspraak van 24 december 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:6323) heeft overwogen, mocht de minister de aanvraag alleen hierom al afwijzen.
Dit proces-verbaal is vastgesteld door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. griffier rechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met de uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.