ECLI:NL:RBROT:2026:6793
Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam Meervoudige kamer strafzaken Parketnummer: 10-750209-15 Datum uitspraak: 15 juni 2026 Data zitting: 18 en 19 mei 2026 Tegenspraak Verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1967 in [geboorteplaats] , ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] te [plaatsnaam] .
Advocaat van de verdachte: mr. E. Manders Officieren van justitie: mrs. M. Luijpen en L. Verhoeven Benadeelde partijen: [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] Advocaat van de benadeelde partij: mr. P. Leemans 1Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte – samengevat – van de moord op [slachtoffer ] , subsidiair van de uitlokking daarvan en van de voorbereiding van de moord op [naam 1] .
De volledige tenlastelegging houdt in dat 1. primair hij op of omstreeks 1 januari 2014 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon, welke later bleek te zijn [slachtoffer ] , van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een of meer vuurwapen(s), meermalen, althans eenmaal, op, althans in de richting van, het hoofd en/of bovenlichaam, in elk geval het lichaam, van die [slachtoffer ] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer ] is overleden; subsidiair een of meer anderen op of omstreeks 1 januari 2014 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon, welke later bleek te zijn [slachtoffer ] van het leven heeft/hebben beroofd door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen meermalen, althans eenmaal, op althans in de richting van het hoofd en/of het bovenlichaam, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer ] te schieten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer ] is overleden, welk strafbaar feit hij verdachte in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 1 januari 2014, te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of misbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging en/of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, hebbende hij verdachte opzettelijk, zakelijk weergegeven, een of meer anderen benaderd en/of (een) ontmoeting(en) gehad en/of (vervolgens) medegedeeld dat een persoon (genaamd [naam 1] ) om het leven gebracht moest worden en/of een of meer anderen een aanzienlijke geldelijke beloning in het vooruitzicht gesteld voor het om het leven brengen van een persoon (genaamd [naam 1] ) en/of - een of meer andere(n) informatie verstrekt over de woonplaats en/of verblijfplaats en/of gewoonte(n) en/of gebruiken van die persoon (genaamd [naam 1] ).
2Bewijswaardering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor feit 1 primair en feit 2 tot een gevangenisstraf van 24 jaar.
Oordeel van de rechtbank a. Inleiding Op 1 januari 2014 werd [slachtoffer ] beschoten terwijl hij zijn honden aan het uitlaten was. [slachtoffer ] overleed ter plekke als gevolg van een schot in het hoofd. Gedurende het politieonderzoek ontstonden er vrij snel aanwijzingen dat niet [slachtoffer ] , maar zijn buurtgenoot [naam 1] – volgens het dossier destijds actief in het criminele circuit – het doelwit was.
Er volgde een opsporingsonderzoek dat meerdere jaren duurde en dat in eerste instantie voor een groot deel leunde op anonieme meldingen (MMA-meldingen) en informatie vanuit het Team Criminele Inlichtingen (TCI-informatie). Meerdere getuigen, voornamelijk personen binnen hetzelfde criminele circuit als het beoogde slachtoffer en de verdachte, werden gehoord. Een en ander leidde op 24 september 2015 tot de verdenking tegen de verdachte van betrokkenheid bij de moord en uiteindelijk tot zijn aanhouding op 20 november 2018.
Na dagvaarding van de verdachte overwoog de rechtbank op de eerste zitting op 22 februari 2019 dat de ernstige bezwaren tegen hem staan of vallen met de toetsing van de betrouwbaarheid daarvan. Het was, aldus de rechtbank, van belang dat de informatie en (getuigen)verklaringen die tot dan toe in het dossier zaten, werden geverifieerd en werden onderzocht op betrouwbaarheid. Vervolgens zijn diverse personen (nogmaals) bij de politie en/of bij de rechter-commissaris gehoord en is één van hen op de zitting als getuige meermalen gehoord.
De verdachte heeft vanaf zijn aanhouding tot op de zittingen van mei 2026 iedere betrokkenheid bij de feiten ontkend.
De verdenking tegen de verdachte werd vooral gevoed door verklaringen over een mogelijk motief van de verdachte, namelijk een conflict tussen de verdachte en [naam 1] in de periode rond de moord. De redenen voor die ruzie lopen in de verklaringen uiteen, dat varieert van financiële geschillen over vastgoed of over in beslag genomen partijen cocaïne, tot huwelijksproblemen en het alleenrecht op een corrupte douanier. Hoewel een motief voor een moord een niet onbelangrijk gegeven is, kan het enkel bestaan daarvan geen bewijs vormen voor het daderschap van de verdachte.
De vraag die in dit vonnis centraal staat is of de verklaringen en de overige informatie over de betrokkenheid van de verdachte bij de hem ten laste gelegde feiten betrouwbaar zijn en of deze voldoende bewijskracht hebben. In dat licht zullen hierna achtereenvolgens de zogenaamde van-horen-zeggen bekentenissen, de overige verklaringen en de MMA-meldingen en TCI-informatie worden besproken. Hierbij zal ook worden ingegaan op de visie van de officier van justitie op deze informatie. Een en ander leidt – kort gezegd – tot de conclusie dat heel weinig betrouwbaar bewijsmateriaal voorhanden is en dat de bewijskracht daarvan ook nog uiterst beperkt is. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van de aan hem tenlastegelegde feiten.
Van-horen-zeggen bekentenissen De officieren van justitie stellen dat de verklaringen van [naam 2] en [naam 3] belangrijk bewijs vormen, omdat de verdachte aan hen zou hebben bekend dat hij de opdrachtgever van de moord was. Bij de beoordeling van dergelijke van-horen-zeggen bekentenissen moet ten eerste de betrouwbaarheid van de inhoud van de bronverklaringen worden getoetst: hoe geloofwaardig zijn de verklaringen van [naam 2] en [naam 3] , wat heeft de verdachte tegen hen precies gezegd en wat betekent dat eigenlijk? Maar daarnaast is ook de betrouwbaarheid van de ‘bekentenis’ op zichzelf bezien van belang. Sprak de verdachte wel de waarheid en vormen zijn uitspraken dus wel een bekentenis? De enkele verklaring ‘ik heb de opdracht gegeven tot moord’ geeft op zichzelf namelijk, zonder nadere toetsing van de betrouwbaarheid dáárvan, geen bewijskracht aan de verklaringen van [naam 2] en [naam 3] .
De wel bekende verklaringen van [naam 2] hebben een summier karakter. Er worden geen details gegeven over de door de verdachte afgelegde bekennende verklaring. Zo heeft [naam 2] niet kunnen verklaren wanneer precies hij dit van de verdachte heeft gehoord en op welke plaats (‘ergens op straat’). De verdachte heeft steeds stellig ontkend een ontmoeting met [naam 2] te hebben gehad waarbij hij een bekentenis zou hebben afgelegd. De verdachte heeft zelfs verklaard dat hij [naam 2] in die periode langere tijd niet heeft gezien of gesproken en dit is – ook na navraag in het criminele circuit – niet weersproken. De ontmoeting op zichzelf kan dus al niet worden geverifieerd. Dat geldt ook voor de verdere inhoud van de verklaringen. [naam 2] heeft in de verklaringen bij de politie de naam van een schutter genoemd, hetgeen hij overigens op de zitting weer heeft ontkend, de politie zou ‘heel veel dingen hebben verzonnen’. De strafvervolging van deze schutter is geëindigd in een sepot wegens onvoldoende bewijs. Dit deel van de verklaring kan dus ook niet worden getoetst. Ook het detail dat de verdachte uit paniek enkele weken bij zijn broer zou hebben geslapen kon niet worden geverifieerd. Voor het overige heeft [naam 2] de verklaring verder (ook) geen handen en voeten gegeven. Hij heeft voor details verwezen naar de kluisverklaring, maar zoals gezegd is de inhoud daarvan onbekend.
Maar dat is het niet alleen. Ook de bekentenis van de verdachte op zichzelf dat hij de opdrachtgever van de moord was, is summier en is zonder nadere handvatten en verificatie niet op betrouwbaarheid te toetsen. Dit leidt ertoe dat de verklaringen van [naam 2] uiterst weinig bewijskracht toekomt.
Al met al raken het summiere karakter, het ontbreken van details en de onmogelijkheid van verificatie de betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam 2] hard. In samenhang met het gebrek aan bewijskracht van die verklaringen is het gebruik daarvan in feite onmogelijk.
Los daarvan is ook de betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam 3] allesbehalve sterk, als de omstandigheden waaronder hij deze verklaringen aflegt, worden meegewogen. [naam 3] legt zijn ‘poch-verklaring’ af in april 2015 bij de balie van het politiebureau als hij zich komt melden omdat hij drie weken eerder de verdachte heeft beschoten. Hij schetst daarbij een noodweerscenario, waarin de verdachte hem eerst zou willen beschieten. Dat betekent dat hij de verdachte van het opdrachtgeverschap van de moord beschuldigt op het moment dat hij er zelf alle belang bij heeft om de verdachte in een kwaad daglicht te stellen om zijn eigen hachje te redden. [naam 3] is overigens door de rechtbank veroordeeld voor deze poging tot liquidatie van de verdachte, met verwerping van het noodweerverweer.
De bewijskracht van de verklaring van [naam 3] is dus heel klein en de verklaring is bovendien niet heel betrouwbaar. Daarmee is het gebruik van de verklaring van [naam 3] voor het bewijs niet mogelijk.
De overige verklaringen Er zijn in deze zaak ook veel anderen gehoord. De officieren van justitie hechten in het bijzonder waarde aan de verklaringen van [naam 4] , [naam 5] en een anonieme bedreigde getuige.
Dat geldt ook voor het opgenomen gesprek tussen [naam 4] en een onbekende man ‘ [naam 9] ’, waarin [naam 4] volgens de officieren van justitie over de moord heeft gezegd dat de verdachte die op zijn geweten heeft met de toevoeging ‘dat heb tie tegen mij gezegd’. Ook hier volgt uit de uitwerking van het gesprek dat [naam 4] dit zegt over de liquidatie van [naam 7] . Pas daarna komt ook in dat gesprek de moord op [slachtoffer ] aan de orde. Dan zegt [naam 4] nogmaals dat de verdachte die op zijn geweten heeft, maar niet dat hij dit rechtstreeks van de verdachte heeft gehoord. Dat ‘ [naam 9] ’ bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat [naam 4] het van de verdachte zelf heeft gehoord, legt nauwelijks gewicht in de schaal, nu daarover in het geheel niet is doorgevraagd. Zo is niet duidelijk wanneer [naam 4] dit aan hem zou hebben verteld. Goed mogelijk is dat ‘ [naam 9] ’ dezelfde vergissing heeft gemaakt als de officieren van justitie en de uitspraak van [naam 4] ‘dat heb tie tegen mij gezegd’ ten onrechte aan deze moord heeft gekoppeld. Daar komt nog bij dat [naam 4] zelf over het gesprek met ‘ [naam 9] ’ heeft verklaard dat het een gestuurd gesprek was vanuit de TCI en dat hij benieuwd was hoe de rechter hier naar zou kijken. De rechtbank leidt hier uit af dat er tenminste vraagtekens zijn te plaatsen bij het waarheidsgehalte van die verklaring.
Uiteraard blijft staan dat [naam 4] in deze gesprekken bespreekt dat volgens hem de verdachte de opdrachtgever van de moord zou zijn. Deze ‘verdenking’, meer lijkt het niet te zijn, werkt hij echter verder niet uit. Hij wijst bij de politie – anders dan in het Whatsapp-gesprek met ‘ [naam 8] ’ – [naam 3] als schutter aan. Los van het feit dat de strafvervolging tegen [naam 3] als schutter is geseponeerd vanwege gebrek aan bewijs, vermeldt hij niet hoe hij aan deze informatie is gekomen en geeft hij geen details. Daarom heeft het enkele feit dat [naam 4] de verdachte als opdrachtgever van de moord aanwijst geen bewijskracht voor de beschuldigingen aan het adres van de verdachte.
Ook de anonieme bedreigde getuige die is gehoord bij de rechter-commissaris heeft slechts verklaard dat hij ‘heeft gehoord’ dat de verdachte opdrachtgever zou zijn van de moord. Van wie, hoe en waar hij dat dan heeft gehoord en hoe betrouwbaar die boodschap is geweest, is niet duidelijk. Daar is de getuige overigens ook niet over bevraagd.
Dit maakt dat de inhoud van deze verklaringen geen bewijskracht heeft. Het lijkt er eerder op dat binnen het circuit steeds dezelfde informatie wordt rondgepompt en zo heeft iedereen ‘iets gehoord’.
MMA-meldingen en TCI-informatie In hetzelfde licht als hiervoor besproken moeten ook de MMA-meldingen en TCI-informatie in het dossier worden beschouwd. De betrouwbaarheid van dergelijke informatie hangt in zijn algemeenheid af van de bron (indien bekend), de wijze van verzameling en de context waarin de informatie is verkregen. Daarover is meestal weinig bekend. Daarom wordt deze informatie doorgaans al niet zelfstandig als bewijs gebruikt.
Er zijn in deze zaak door de jaren heen sinds 2014 verschillende anonieme meldingen over de moord binnengekomen met daarin vaak wisselende informatie over de betrokkenen en bijpassende motieven. Pas vanaf april 2015 wordt de naam van de verdachte genoemd. Van sommige meldingen staat inmiddels vast dat die informatie niet klopt. De meldingen spreken elkaar soms ook tegen. De bron van de informatie (bijvoorbeeld de informant) is steeds onbekend en de rechtbank kan ook hier niet uitsluiten dat de informatie van dezelfde bron (of van één van de in deze zaak gehoorde getuigen) afkomstig is. De betrouwbaarheid is dus ook hier een punt en de bewijskracht van deze informatie is ook nihil.
Conclusie Dit leidt tot de conclusie dat de verklaringen en overige informatie in het dossier onvoldoende betrouwbaar zijn en/of onvoldoende bewijskracht hebben en daarom niet tot wettig en overtuigend bewijs leiden voor wat de verdachte wordt verweten, ook niet in samenhang bezien.
Tot slot Het onderzoek in deze zaak en de behandeling van de zaak bij de rechtbank hebben zeer lang geduurd. Pas twaalf jaar na de dood van het slachtoffer ligt er nu een vonnis in deze zaak. De rechtbank heeft gezien en gehoord dat dit voor [naam familie slachtoffer] een hele zware periode is geweest. Uit de slachtofferverklaring van het gezin, op de zitting voorgedragen door de echtgenote van het slachtoffer, werd pijnlijk duidelijk dat zij niet alleen het ondragelijke verlies van hun man en vader moeten verwerken, maar dat zij ook boos zijn dat zij de allerhoogste prijs hebben moeten betalen voor de daden van een ander. De rechtbank realiseert zich dat het zeer pijnlijk is dat de uitkomst van de zaak voor [naam familie slachtoffer] met zich meebrengt dat er, ook na zo’n lange tijd, nog steeds geen duidelijkheid is over de schuldige, over het motief voor de moord en de precieze omstandigheden daarvan.
3Voorlopige hechtenis De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 22 februari 2019 geschorst. De rechtbank heft het geschorste bevel tot de voorlopige hechtenis van de verdachte op.
4Vordering van de benadeelde partijen De nabestaanden van het [slachtoffer ] , zijn echtgenote en twee kinderen, hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces. Zij maken aanspraak op vergoeding van schade van gederfd levensonderhoud voor een bedrag van € 577.019,- en de echtgenote van het slachtoffer, op het vergoeden van zogeheten shockschade van € 30.000,- omdat zij direct geconfronteerd werd met de dood van haar man.
De rechtbank verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vorderingen, omdat de verdachte wordt vrijgesproken. De rechtbank bepaalt dat beide partijen hun eigen proceskosten zullen dragen.
5Beslissingen De rechtbank: verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij; heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst; verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering; bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
6Samenstelling rechtbank en ondertekening Dit vonnis is gewezen door: mr. J.H. Janssen, voorzitter, en mrs. M.V. Scheffers en T.M. Riemens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Hoebe, griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 15 juni 2026.