RECHTBANK Rotterdam Zaaknummer: C/10/701102 / HA ZA 25-484 Vonnis van 28 januari 2026 in de zaak van [eiser] , te Gouda, eisende partij, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. C.G.A. Mattheussens, tegen [gedaagde] , te Rotterdam, gedaagde partij, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. S. Koçak. 1De zaak in het kort De man en de vrouw zijn getrouwd geweest. De netto-verkoopopbrengst van de echtelijke woning, die vóór het huwelijk is gekocht door de man, staat in depot bij de notaris. Volgens de man is hij enig rechthebbende op de verkoopopbrengst omdat Algerijns huwelijksvermogensrecht van toepassing is en de vermogens van partijen dus gescheiden zijn gebleven. Volgens de vrouw is zij mede rechthebbende op de verkoopopbrengst omdat Nederlands recht van toepassing is en de woning dus onderdeel is geworden van de huwelijksgemeenschap van partijen. De rechtbank stelt de man in het gelijk. 2De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, met producties 1 tot en met 7;- de conclusie van antwoord, met productie 1; het e-mailbericht van de rechtbank van 18 november 2025 met een zittingsagenda; het e-mailbericht van de rechtbank van 24 november 2025 met een verzoek om nadere stukken; de huwelijksakte, overgelegd door de vrouw; de brief van de man van 2 december 2025, met producties 8 tot en met 12; de akte uitlaten van de vrouw van 15 december 2025; de producties 13 tot en met 16 van de man; het uittreksel BRP van de vrouw; de mondelinge behandeling op 15 december 2025. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3De feiten 3.1. De man heeft op 17 juli 2006 de woning aan de [adres] gekocht. 3.2. Partijen zijn op [datum] in Algerije getrouwd. De man woonde toen in Nederland en is enkele dagen na de huwelijkssluiting teruggegaan naar Nederland. 3.3. De vrouw heeft zich op 15 oktober 2007 in Nederland gevestigd. 3.4. De man heeft (en had op 7 februari 2007) de Algerijnse nationaliteit en heeft sinds 7 mei 2001 ook de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft (en had op 7 februari 2007) de Algerijnse nationaliteit en heeft sinds 27 februari 2013 ook de Nederlandse nationaliteit. 3.5. In 2019 is op verzoek van de man in Algerije de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. 3.6. De woning is op 11 maart 2025 verkocht aan een derde. De levering heeft plaatsgevonden op 6 mei 2025. 3.7. Tussen partijen heeft een kortgedingprocedure over de woning plaatsgevonden. Ter beëindiging van hun geschil zijn partijen overeengekomen dat de vrouw zou meewerken aan de levering van de woning aan de koper en dat de netto-verkoopopbrengst in depot zou blijven bij de notaris. Ook is afgesproken dat de man een bodemprocedure zou starten ter beantwoording van de vraag of de vrouw mede-eigenaar is van de woning. 4Het geschil 4.1. Volgens de man is het huwelijksvermogensregime van partijen onderworpen aan Algerijns recht, en is van een huwelijksgemeenschap tussen partijen dus geen sprake, zodat hij enig eigenaar van de woning is. De man vordert daarom bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: “I. te verklaren voor recht dat eiser dient te gelden als enige rechthebbende op de netto overwaarde betreffende de verkoop en levering van de woning staande en gelegen te [adres] als gedeponeerd onder notaris [naam notaris], althans [naam kantoor]; II. gedaagde te veroordelen om op eerste verzoek van eiser aan gedaagde om de notaris [naam notaris] , althans [naam kantoor], toestemming te verlenen om de netto overwaarde verminderd met nog eventueel aan de notaris in verband met de depotovereenkomst verschuldigde kosten, aan eiser te betalen met bepaling dat indien gedaagde daaraan geen gevolg geeft, het ten deze te wijzen vonnis dezelfde kracht heeft en in de plaats treedt van de vereiste wilsverklaring van gedaagde ter zake de opdracht tot geven van toestemming aan de notaris tot het betalen van de netto overwaarde verminderd met eventueel nog aan de notaris verschuldigde kosten aan eiser, althans zodanig te bepalen als het de rechtbank vermeent te behoren; III. gedaagde te veroordelen in de kosten van de procedure.” 4.2. De rechtbank begrijpt de eis zo dat waar wordt gesproken van “netto-overwaarde” bedoeld is: netto-verkoopopbrengst. 4.3. De vrouw voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn vorderingen, althans tot afwijzing van die vorderingen, met veroordeling van de man in de proceskosten. Volgens de vrouw is Nederlands recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen en is de woning dus onderdeel geworden van een algehele gemeenschap van goederen tussen partijen. 5De beoordeling De internationale aspecten 5.1. Deze zaak heeft internationale aspecten. Op de datum van de huwelijkssluiting hadden de man en de vrouw beiden de Algerijnse nationaliteit en had de man ook de Nederlandse nationaliteit. Aangezien beide partijen in Nederland woonachtig zijn, is de Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van dit geschil. Algerijns recht is van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen 5.2. Partijen zijn op 7 februari 2007 in Algerije met elkaar getrouwd. De vraag welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen moet daarom worden beantwoord aan de hand van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, van 14 maart 1978 (hierna: het verdrag). 5.3. Volgens het verdrag (artikel 3) staat het de echtgenoten vrij om vóór het huwelijk te bepalen welk recht op hun huwelijksvermogensregime van toepassing is. De man heeft primair gesteld dat Algerijns recht is overeengekomen. De vrouw heeft dit betwist. Ter zitting heeft de man verklaard - en daarmee dus erkend - dat er over het toepasselijk recht niets is overeengekomen. Van een rechtskeuze is dus geen sprake. Dit betekent dat de vraag welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen beantwoord moet worden op basis van de regels van artikel 4 van het verdrag. 5.4. Volgens artikel 4 lid 2 aanhef en onder 3 van het verdrag wordt het huwelijksvermogensregime van echtgenoten beheerst door het nationale recht van de Staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit, indien zij hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijkssluiting niet op het grondgebied van dezelfde Staat vestigen. Vaststaat dat partijen ten tijde van hun huwelijkssluiting in 2007 beiden de Algerijnse nationaliteit hadden. De man had ook de Nederlandse nationaliteit. Zij hadden dus de Algerijnse nationaliteit als gemeenschappelijke nationaliteit in de zin van het verdrag. Vast staat ook dat de vrouw zich ruim acht maanden na de huwelijkssluiting in Nederland heeft gevestigd terwijl de man al in Nederland woonde. In de rechtspraak wordt doorgaans aangenomen dat echtgenoten hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijkssluiting níet op het grondgebied van dezelfde Staat hebben gevestigd, in de zin van artikel 4 van het verdrag, als zij na de huwelijkssluiting langer dan zes maanden in verschillende landen hebben gewoond. Dat doet zich hier voor. Uit artikel 4 lid 2 aanhef en onder 3 van het verdrag volgt dan dat het recht van de Staat van de gemeenschappelijke nationaliteit, in dit geval Algerijns recht, op het huwelijksvermogensregime van partijen van toepassing is. 5.5. De uitkomst is hetzelfde als - zoals de vrouw stelt - partijen na de huwelijkssluiting wél hun eerste gewone verblijfplaats op het grondgebied van dezelfde Staat (Nederland) hebben gevestigd. Dit volgt uit artikel 4 lid 2 aanhef en onder 2 sub b van het verdrag. Volgens die bepaling wordt, indien echtgenoten een gemeenschappelijke nationaliteit hebben en zij hun eerste gewone verblijfplaats op het grondgebied van dezelfde Staat vestigen, het huwelijksvermogensregime beheerst door het nationale recht van de Staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit, mits: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.