Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage zittinghoudende te Haarlem Enkelvoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken U I T S P R A A K ex artikel 34a en 34j Vreemdelingenwet (Vw) reg.nr.: AWB 99/703 VRWET H Inzake: A, geboren op [...] 1974, van Srilankaanse nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam, hierna te noemen: de vreemdeling, tegen: de Staatssecretaris van Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder. Terechtzitting: 8 februari 1999. De vreemdeling is vertegenwoordigd door mr C.J. Schoorl, advocaat te Alkmaar. Verweerder is verschenen bij gemachtigde, mr. M.M. van Asperen, advocaat te 's-Gravenhage. 1. Ontstaan en loop van het geding Bij beschikking van 24 november 1998 is de vreemdeling op grond van artikel 7a, tweede en derde lid, Vw, hierna te noemen 7a maatregel, geplaatst in het aanmeldcentrum te Schiphol. Verweerder heeft zijn op diezelfde dag ingediende aanvraag om toelating als vluchteling bij beschikking van 26 november 1998 niet ingewilligd en de ten aanzien van de vreemdeling toegepaste 7a maatregel gehandhaafd. Deze maatregel wordt thans in het Grenshospitium ten uitvoer gelegd. Tegen de 7a maatregel is reeds eerder beroep ingesteld. Verwezen wordt naar hetgeen hieromtrent door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, is overwogen en beslist in de uitspraak van 7 december 1998 met kenmerk AWB 98/7242. Bij die uitspraak is het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen de oplegging en voortduring van de 7a maatregel ongegrond verklaard. Bij beroepschrift van 26 januari 1999, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op diezelfde datum, heeft de vreemdeling beroep ingesteld tegen de voortduring van de 7a maatregel. Het beroep strekt tevens tot het toekennen van schadevergoeding. 2. Overwegingen 2.1 Uitgangspunt bij de beoordeling van deze zaak is dat deze rechtbank, zittinghoudende te Haarlem, in haar uitspraak van 7 december 1998 (reg nr. AWB 98/7240 & 98/7241 & 98/7242) heeft geoordeeld dat verweerder de aanvraag van de vreemdeling om toelating als vluchteling op goede gronden kennelijk ongegrond heeft verklaard en de maatregel ex artikel 7a, tweede en derde lid, Vw mitsdien gerechtvaardigd was. 2.2 Thans ligt de vraag voor of er nog zicht is op uitzetting van de vreemdeling. Zou dat niet het geval zijn dan zou immers voortzetting van de maatregel niet langer geïndiceerd, en daarmee onrechtmatig zijn. 2.3 Namens de vreemdeling is betwist dat er nog langer zicht op uitzetting bestaat, waartoe hij het volgende heeft aangevoerd. Op 8 december 1998 heeft hij tegen de Nederlandse Staat een klacht ingediend bij het Comité tegen Foltering (ingesteld onder artikel 17 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, hierna aan te duiden als: het Comité) omdat zijn (voorgenomen) verwijdering in strijd zou zijn met artikel 3 van dit Verdrag. Op 15 december 1998 heeft het Comité deze klacht in behandeling genomen en de Nederlandse Staat verzocht om de vreemdeling niet te verwijderen zolang de klacht nog in behandeling is. Naar aanleiding daarvan heeft de vreemdeling verweerder verzocht de onderhavige maatregel op te heffen. Reeds het enkele feit dat het Comité de klacht in behandeling heeft genomen impliceert volgens de vreemdeling dat de klacht niet kennelijk ongegrond is. Daarmee is zijns inziens tevens gezegd dat de beschikking van verweerder (op zijn asielverzoek) en de uitspraak van de rechtbank (op zijn tegen die beschikking ingestelde beroep) onjuist zijn. Nu er vooralsnog van moet worden uitgegaan dat sprake is van een gegronde klacht, dient uitzetting, en daarmee ook verdere vrijheidsontneming, achterwege te blijven, aldus nog steeds de vreemdeling. 2.4 De gemachtigde van verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat nog immer zicht op uitzetting bestaat, nu verweerder geen gevolg zal geven aan het verzoek van het Comité om de uitzetting van de vreemdeling hangende de klacht op te schorten. Van dit voornemen heeft verweerder de vreemdeling bij brief van 5 februari 1999 in kennis gesteld. Overigens heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting doen weten dat niet tot verwijdering zal worden overgegaan dan nadat de (gemachtigde van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.