rolnummer 2200144799 parketnummer 0975400598 datum uitspraak 30 juni 2000 tegenspraak GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken ARREST Gewezen op het hoger beroep, ingesteld door de verdachte en de officier van justitie tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage van 16 juli 1999 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum], wonende te 2651 BE Berkel en Rodenrijs, Veilingweg 60. 1. Onderzoek van de zaak 1.1. Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 9, 13, 15, 16, 20 en 22 december 1999, 20, 21, 23, 27, 28, 29 en 31 maart 2000, 3, 4 en 13 april 2000, 15, 16, 18, 22 en 31 mei 2000, 5, 7, 14 en 16 juni 2000. 1.2. Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaten-generaal mrs. Van den Broek en Van Atteveld en van hetgeen door de raadsman mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht. 2. Tenlastelegging 2.1. Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie mr. Mooijen d.d. 2 april 1999 en ter terechtzitting in hoger beroep op vordering van de advocaat-generaal mr. Van Atteveld d.d. 20 maart 2000 gewijzigd. 2.2. Van de dagvaarding en van de vorderingen wijziging tenlastelegging zijn kopieën gevoegd in dit arrest. 3. De partiële nietigverklaring van de inleidende dagvaarding 3.1. Ter terechtzitting van 22 december 1999 heeft het hof ten aanzien van de partiële nietigverklaring van de dagvaarding het volgende overwogen: "De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep de inleidende dagvaarding ten aanzien van onderdeel 6 van het onder 1 tenlastegelegde feit nietig verklaard, aangezien dat onderdeel geen beschrijving of nadere uitwerking van feitelijke handelingen die zouden zijn verricht, bevat." Een dergelijke partiële nietigverklaring van de inleidende dagvaarding is toelaatbaar als na de nietigverklaring van het betreffende onderdeel van de tenlastelegging het resterende gedeelte nog hetzelfde strafbare feit als tevoren inhoudt. Vgl. HR 14 april 1987, NJ 1988, 171 en HR 3 mei 1994, NJ 1994, 565. Dat is hier het geval. Bij de beoordeling van de geldigheid van een tenlastelegging dient naar 's hofs oordeel de gehele tenlastelegging in al haar aspecten te worden bezien en dienen tevens de bedoelingen die de steller van de tenlastelegging daarbij heeft gehad mede in ogenschouw te worden genomen. Een tenlastelegging is in beginsel geldig, indien daarin een voldoende duidelijke feitelijke omschrijving, inclusief vermelding van tijd en plaats, van het strafrechtelijk vervolgde gebeuren is opgenomen. In de onderhavige tenlastelegging sub 1 wordt de verdachte - voor zover hier van belang - verweten te hebben deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het telkens opzettelijk invoeren binnen het grondgebied van Nederland van cocaïne en/of het plegen van voorbereidingshandelingen tot een dergelijk feit. De steller van de tenlastelegging heeft in de onderdelen 1 tot en met 5 van die tenlastelegging een viertal invoeren en een poging tot invoer nader in tijd, plaats en hoeveelheid cocaïne gespecificeerd. Van de steller van een tenlastelegging terzake van een misdrijf als omschreven in artikel 140, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht kan in redelijkheid niet worden gevergd dat reeds in de tenlastelegging alle invoeren van cocaïne waarmee de organisatie zich in zijn ogen heeft beziggehouden naar tijd, plaats en hoeveelheid ingevoerde cocaïne nauwkeurig worden omschreven. Onder omstandigheden kan de steller van een dergelijke tenlastelegging aan het slot van de tenlastelegging volstaan met de meer algemene omschrijving dat de beweerde organisatie zich ook nog met andere, naar tijd, plaats en hoeveelheid ingevoerde cocaïne nog niet nader te specificeren, invoeren van cocaïne dan wel voorbereidingshandelingen ter zake van een dergelijk feit heeft ingelaten. Het is niet ondenkbaar dat een dergelijke wijze van tenlasteleggen voor de verdachte voldoende duidelijk is en voldoende aanknopingspunten voor zijn verdediging biedt. Ook het onderzoek ter terechtzitting strekt er immers mede toe om feiten aan het licht te brengen die het strafrechtelijk vervolgde gebeuren verduidelijken. Het hof zal dus dienen te onderzoeken of de verdachte geacht kan worden de aard en strekking van de in onderdeel 6 van het onder 1 tenlastegelegde feit verweten gedragingen te hebben begrepen, en, in geval van een ontkennend antwoord, in hoeverre de verdachte geacht kan worden hierdoor in zijn verdediging te zijn geschaad. De in onderdeel 6 genoemde periode en plaats, althans voor wat betreft Zuid-Amerika, zijn in het licht van de daaraan voorafgaande onderdelen 1 tot en met 5 van die tenlastelegging op het eerste gezicht ook niet zodanig ruim dat niet meer gezegd kan worden dat sprake is van een voldoende feitelijke omschrijving. Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding om het hoger beroep niet op de grondslag van de gehele tenlastelegging te behandelen. Een eventuele terugverwijzing van de zaak naar de rechtbank op de voet van het bepaalde in artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is niet aan de orde. Nu de rechtbank tot een bewezenverklaring van het resterende gedeelte van het onder 1 tenlastegelegde is gekomen, kan immers niet worden gezegd dat de hoofdzaak niet door de rechtbank is beslist. Zie HR 19 mei 1992, NJ 1992, 655. Over de uiteindelijke geldigheid van onderdeel 6 van het onder 1 tenlastegelegde feit zal het hof in het eindarrest een beslissing nemen.” 3.2. Ten tijde van de behandeling van de zaak in hoger beroep is niet aannemelijk geworden dat de verdachte de aard en strekking van de in onderdeel 6 van het onder 1 tenlastegelegde feit verweten gedragingen niet heeft begrepen dan wel anderszins door de redactie van dit onderdeel van de tenlastelegging in zijn verdediging is geschaad. 3.3. De in dat onderdeel aan de verdachte verweten gedragingen hebben in de tenlastelegging een geheel zelfstandige betekenis. 3.4. Strijdigheid van de tenlastelegging met het bepaalde in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering doet zich volgens het hof alleen voor voorzover in onderdeel 6 de woorden: “althans het buitenland” voorkomen. Deze woorden acht het hof te vaag en te onbepaald. Alleen in zoverre kan de partiële nietigverklaring van de inleidende dagvaarding door de rechtbank in stand blijven. 4. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging 4.1. Door de raadsman is het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging op de navolgende gronden -kort en zakelijk weergegeven- en ook in onderling verband en samenhang bezien, een en ander zoals nader toegelicht in de pleitnotities van de raadsman: A. grove schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn; B. langdurige en stelselmatige onthouding van stukken aan de verdediging; C. schending van het recht op een eerlijk proces vanwege het door tijdsverloop ontbreken van controle op de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen en processtukken; D. schending van belangen van de verdachte en het algemeen belang van de gemeenschap bij een eenduidig, zorgvuldig en integer optreden van het openbaar ministerie bij opsporing en vervolging door een tweeslachtige houding jegens de verdachte-informant; E. schending van verdedigingsbelangen bij de verlening van de status van bedreigde getuige; F. schending van fundamentele rechtsbelangen door het sluiten van een deal met de getuige NN VI; G. grove veronachtzaming van het recht op een eerlijk proces door het creëren van een onjuist beeld van aard, aantal en betrouwbaarheid van de verklaringen van getuige NN III en het afschermen van diens informatiebronnen; H. schending van het verbod van willekeur door slechts de verdachte ter zake van financiële transacties te vervolgen en andere personen die informatie hebben gegeven en daarbij zelf strafbare feiten hebben gepleegd, zoals bedreigde getuigen, niet te vervolgen. 4.2. Het hof stelt ten aanzien van het door de raadsman aangevoerde met betrekking tot de onder (A),(B),(C) en(E) gevoerde verweren voorop dat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de processuele positie van de verdachte in het voorbereidend onderzoek vrijwel geheel afhankelijk is gesteld van het verloop van het onderzoek in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1], zo zeer zelfs dat de zaaksofficier van justitie mr. Ch.V. van der Voort als getuige ter terechtzitting van het hof van 4 april 2000 heeft verklaard dat "als bij bewijs tegen [medeverdachte 1], van hogerhand de aanwijzing zou komen om [medeverdachte 1] niet verder te vervolgen, dan zouden wij [medeverdachte 2] en [verdachte], als minderen, ook niet vervolgen". Wanneer een gerechtelijk vooronderzoek is ingesteld worden de grenzen van dit onderzoek bepaald door hetgeen aan de verdachte in de (nadere) vordering tot gerechtelijk vooronderzoek wordt verweten. De verdediging moet immers zo spoedig mogelijk in de gelegenheid worden gesteld om de betrouwbaarheid én de rechtmatigheid van het voor de verdachte belastende materiaal te controleren en voor de verdachte ontlastend materiaal daartegenover te stellen. Wat voor de verdachte als belastend moet worden aangemerkt, wordt bepaald door de beschuldiging zoals die in de (nadere) vordering tot gerechtelijk vooronderzoek is omschreven. Indien in de (nadere) vordering tot gerechtelijk vooronderzoek een feit als bedoeld in artikel 140, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is omschreven, is het belang van het onderzoek niet gelijk aan het belang van het onderzoek naar de rol van de verdachte in die organisatie. Het belang van het onderzoek omvat immers de deelneming aan een bepaalde criminele organisatie en de verdachte is slechts een van de personen tegen wie verdenking van een dergelijke deelname bestaat. Het kan dus voorkomen dat het onderzoek naar een bepaalde deelnemer aan de beoogde criminele organisatie stil ligt, of sterker nog al min of meer is voltooid, terwijl het onderzoek naar andere deelnemers aan de criminele organisatie nog in volle gang is. Ook kan het voorkomen dat met de aanhouding van een bepaalde verdachte, hoewel de zaak tegen hem al “rond” is in die zin dat zijn rol in de organisatie al wel vaststaat, wordt gewacht tot het onderzoek verder gevorderd is. Wil men hoger of zo men wil dieper in een bepaalde criminele organisatie komen, dan moeten en politie en justitie alvorens openheid naar de verdediging te betrachten belangen van individuele verdachten ondergeschikt kunnen maken aan het onderzoek naar de gehele criminele organisatie. Zo kan een in het kader van meerdere gerechtelijke vooronderzoeken verrichte huiszoeking voldoende materiaal opleveren om degene die verantwoordelijk is voor het witwassen van de drugsgelden te kunnen aanhouden en vervolgens te berechten, doch kan het belang van het onderzoek naar de organisatoren van de drugstransporten meebrengen dat noch tot aanhouding noch tot dagvaarding van die verdachte wordt overgegaan. Het stellen van prioriteiten in deze zin door het openbaar ministerie is in het algemeen legitiem en geeft op zich geen aanleiding tot het opleggen van bepaalde processuele sancties. Het voorgaande kan ook bij mededaderschap toepassing vinden. Ook bij mededaderschap behoeft het belang van het onderzoek niet zonder meer te worden vereenzelvigd met het belang van onderzoek tegen een bepaalde verdachte. Het belang van het onderzoek is het onderzoek naar het feit zoals dat in de (nadere) vordering tot gerechtelijk vooronderzoek is omschreven. Wel is het zo dat het openbaar ministerie steeds tegen elkaar zal moeten afwegen het belang van het onderzoek zoals dat in de (nadere) vordering tot gerechtelijk vooronderzoek is ingekaderd en het verdedigingsbelang van de verdachte die object is van dat gerechtelijk vooronderzoek. Die belangenafweging kan er onder omstandigheden toe leiden dat de belangen van de verdachte ten gevolge van het onderzoek naar andere deelnemers aan de criminele organisatie of andere mededaders onevenredig worden geschaad en daaraan processuele sancties dienen te worden verbonden. Zolang evenwel de inactiviteit of beperking van verdedigingsrechten in een bepaald gerechtelijk vooronderzoek verband houdt met het onderzoek in een parallel gerechtelijk vooronderzoek kan, uitzonderlijke omstandigheden daargelaten, niet worden gezegd dat de behandeling van de zaak tegen de betreffende verdachte niet aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet, met als gevolg de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging Vanuit dit vertrekpunt zal het hof het door de verdediging gedane beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging benaderen. 4.3. Redelijke termijn van berechting Op 9 mei 1994 is bij de verdachte huiszoeking gedaan en is hij door opsporingsambtenaren gehoord. Dat tijdstip dient als aanvang van een in casu te gelden redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM te worden aangemerkt. Het hof acht aannemelijk geworden dat met het onderzoek ter zake van de resultaten van rond vermeld tijdstip uitgevoerde huiszoekingen geruime tijd, te weten tot ver in 1995, gemoeid is geweest. Vanaf eind 1995 heeft het onderzoek in de zaak van de verdachte evenwel, in hoofdzaak tengevolge van stagnaties in de zaak [medeverdachte 1], grotendeels stilgelegen. Zulks tot november 1997. In de zaak van de verdachte zou voortzetting van de vervolging tegen medio 1996 alleen mogelijk zijn geweest terzake van strafbare handelingen verband houdende met een of meer concrete cocaïnetransporten. Voortzetting van de vervolging terzake van deelneming aan een criminele organisatie rondom de medeverdachte [medeverdachte 1] zou medio 1996 daarentegen niet zonder meer mogelijk zijn geweest in verband met het nog lopende onderzoek in de zaak tegen die medeverdachte. De wenselijkheid om de verdachte terzake van dit feit te vervolgen heeft de vertraging grotendeels veroorzaakt. De verdachte en diens verdediging vormden te dezen immers in geen enkel opzicht een vertragende factor. Gelet op de aard van de zaak en de complexiteit daarvan en de ernst van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten kan een periode van omstreeks anderhalf jaar vertraging op zichzelf genomen niet zonder meer een overschrijding van de redelijke termijn opleveren. Het hof acht evenwel de totale periode van mei 1994 tot de behandeling van de zaak in hoger beroep (juni 2000) gelet op de actieve medewerking van de verdachte in het strafproces onredelijk lang, maar niet zo lang dat het openbaar ministerie dientengevolge niet-ontvankelijk in zijn vervolging dient te worden verklaard. Het belang van de gemeenschap bij berechting dient in casu naar het oordeel van het hof te prevaleren. 4.4. Onthouding van stukken Uit het onderzoek ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat de verdachte in zijn verdediging is geschaad doordat aan de verdediging in de periode van 1994 tot en met 1997 stukken niet dan wel niet tijdig werden toegezonden, inzage in de stukken niet kon plaatsvinden en brieven door het openbaar ministerie niet of eerst zeer laat werden beantwoord. De afhankelijke procespositie van de verdachte, zoals onder 4.2. weergegeven, kan zulks op onderdelen naar het oordeel van het hof slechts in een zeer geringe mate rechtvaardigen. Het hof acht echter niet aannemelijk geworden dat een en ander in het bijzonder is geschied om de belangen van de verdediging welbewust grovelijk te benadelen. Het hof acht daarom niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging geen adequate sanctie. 4.5. Schending recht van verdediging met betrekking tot vorderingen tot statusverlening bedreigde getuigen Naar het oordeel van het hof is de verdachte in zijn verdediging geschaad doordat aan de vorderingen bedreigde getuige d.d. 14 december 1994 in zijn zaak geen enkel gevolg is gegeven en bedreigde getuigen in 1994/1995 vooreerst alleen in de zaak [medeverdachte 1] als zodanig zijn erkend en gehoord, zonder dat de verdediging van de verdachte zich daarin heeft kunnen mengen. Door verlening van de status van bedreigde getuige in de zaak [medeverdachte 1] kon immers met nagenoeg volledige zekerheid worden aangenomen dat later ook in de samenhangende zaak van de verdachte die statusverlening onontkoombaar was, zulks terwijl eveneens aannemelijk was ten tijde van die statusverlening, dat (een aantal van) de betreffende getuigen ook in de zaak van de verdachte gehoord moesten worden. Mede gelet op het tijdsverloop sedert het horen van de betreffende getuigen en de daaruit voortvloeiende beperkingen ter zake van toetsingsmogelijkheden, acht het hof de verdachte op dat punt onvoldoende gecompenseerd door de inbreng van de verdediging bij de latere statusverlening aan en het horen van getuigen in zijn zaak in 1997/98. Ook deze gang van zaken valt, naar het hof aannemelijk acht, te verklaren vanuit het hiervoor reeds aangegeven door het openbaar ministerie gegeven primaat aan de vervolging van [medeverdachte 1]. Het hof wijst in dit verband op de volgende verklaring van de zaaksofficier van justitie mr. Ch.V. van der Voort als getuige ter terechtzitting van het hof van 4 april 2000: "..als de bedreigde getuigen in alle drie de gerechtelijke vooronderzoeken zouden worden gehoord, zou het risico bestaan dat de combinatie van kennis van de getuigen herleidbaar zou zijn tot de persoon. Bij sommigen speelde dat een rol en daarom hebben wij voorrang gegeven aan het gerechtelijk vooronderzoek tegen [medeverdachte 1] en gewacht in het gerechtelijk vooronderzoek tegen [medeverdachte 2] en [verdachte]." Dit primaat kan een en ander echter niet in afdoende mate rechtvaardigen; anderzijds acht het hof niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie op deze grond niet een passende sanctie, nu het hof niet aannemelijk acht dat een en ander is gedaan met het oogmerk van grove benadeling van de verdachte in zijn verdedigingsbelangen, terwijl naar het oordeel van het hof evenmin in casu sprake is van zodanige doelbewuste miskenning van enig algemeen belang van eerlijke procesvoering dat niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging zou moeten volgen. 4.6. Schending van het recht op een eerlijk proces Aan de verdediging kan worden toegegeven dat een langdurig tijdsverloop en feitelijke onthouding van stukken als in casu de mogelijkheid van adequate waarheidsvinding en controle van opsporingsmethoden zijdens de verdediging nadelig beïnvloeden. Een dergelijk effect is aan die vertragende factoren echter inherent en is als zodanig naar het oordeel van het hof niet als een bijzondere zelfstandige omstandigheid met betrekking tot de al of niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie aan te merken. De enkele omstandigheid dat het hof, ter bescherming van andere belangen dan die van de verdediging, de verdediging het stellen van enkele vragen aan de getuigen Driessen en Van der Voort heeft belet, brengt overigens, anders dan door de raadsman in dit verband gesteld, naar het oordeel van het hof niet mee dat de verdediging onaanvaardbaar is beperkt in haar mogelijkheden tot controle op het opsporingsonderzoek en de rechtmatigheid van de bewijsgaring. 4.7. Schending van beginselen van een goede procesorde door het handelen met betrekking tot de verdachte als informant van de CID. Het hof heeft uitvoering onderzoek verricht of doen verrichten inzake de vraag of de verdachte op enigerlei wijze in zijn processele positie is benadeeld vanwege het feit dat hij behalve verdachte ook enige tijd als informant door de Rotterdamse CID is gerund en als zodanig ook ingeschreven is geweest. In het bijzonder zijn rondom dit thema als getuigen gehoord: Lagerwaard, In 't Veld, De Haan, Struijs en Van Strien. Uit dit onderzoek is het volgende naar voren gekomen. Aannemelijk is dat de Rotterdamse CID op grond van een eigen inschatting omtrent de mogelijk relevante informatie die de verdachte omtrent financiële transacties inzake drugshandel zou kunnen verschaffen, hem heeft benaderd. Niet aannemelijk is geworden dat die benadering verband hield met het COPA-onderzoek. Aannemelijk is geworden dat, toen de runners over de tap kwamen er een gesprek tussen de Rotterdamse CID en het COPA-team heeft plaatsgevonden, met als resultaat dat de verdachte nog enige maanden passief is gerund, totdat hij als informant was uitgeschreven. Niet aannemelijk geworden (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.