Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage zittinghoudende te Haarlem enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken U I T S P R A A K ex artikel 34a Vreemdelingenwet (Vw) reg.nr.: AWB 00/6095 VRWET J Inzake: A, geboren [...] 1957, van Afghaanse nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam, hierna te noemen: de vreemdeling, tegen: de Staatssecretaris van Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder. Zitting: 6 juli 2000 en 24 juli 2000. De vreemdeling is op 6 juli 2000 in persoon verschenen, bijgestaan door mr. B. Snoeij, advocaat te Amsterdam. Op 24 juli 2000 is de vreemdeling vertegenwoordigd door dezelfde gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigden, mr. H.C. Faber op 6 juli 2000 en mr. W.A.N. Bot op 24 juli 2000. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1 Op 1 juni 2000 is de vreemdeling ex artikel 6 Vw op de luchthaven Schiphol de verdere toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van de vreemdeling is op diezelfde datum de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 7a, tweede en derde lid, Vw toegepast. 1.2 Op 2 juni 2000 heeft de vreemdeling een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Op diezelfde datum is maatregel ex artikel 7a, tweede en derde lid, Vw voortgezet op grond van hoofdstuk B7/14, vierde gedachtestreepje, Vreemdelingencirculaire. Op 9 juni 2000 is de vreemdeling nader gehoord omtrent haar asielaanvraag. 1.3 Bij kennisgeving ex artikel 7a, zesde lid, Vw, van 28 juni 2000, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op diezelfde datum, heeft verweerder de rechtbank bericht dat de vreemdeling sedert ongeveer vier weken in een beveiligde ruimte of plaats verblijft zonder dat hij beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel heeft ingesteld. 1.4 Bij beschikking van 30 juni 2000, aan de vreemdeling uitgereikt op 2 juli 2000, heeft verweerder de aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd met toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag. De beschikking strekt tevens tot het niet verlenen van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. De ten aanzien van de vreemdeling toegepaste vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 7a Vw is in deze beschikking gehandhaafd. 1.5 De eerste openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 6 juli 2000. Op 14 juli 2000 heeft de rechtbank besloten het onderzoek in de onderhavige zaak te heropenen en heeft gemachtigden verzocht om ter zitting te reageren op de in de heropeningsbrief gestelde vragen. De tweede openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 24 juli 2000. Hierna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1 Ingevolge artikel 7a, zoals dat luidt per 1 juli 1998, is verweerder bevoegd een vreemdeling die Nederland is binnengekomen aan boord van een schip of luchtvaartuig en aan wie verdere toegang is geweigerd, een ruimte of plaats als bedoeld in het tweede en derde lid van dit artikel aan te wijzen, waar hij zich dient op te houden, tenzij zijn vertrek daaruit nodig is om zich buiten Nederland te begeven. 2.2 Verweerder heeft de maatregel bij beschikking d.d. 2 juni 2000 voortgezet op grond van B7/14 Vc vierde gedachtestreepje, omdat verweerder, op grond van hetgeen de vreemdeling en in het bijzonder haar (meegereisde) echtgenoot tijdens het eerste gehoor op 2 juni 2000 hadden verklaard, nader onderzoek naar de identiteit en asielmotieven van (de echtgenoot van) de vreemdeling noodzakelijk achtte om een beslissing te kunnen nemen op de aanvraag om toelating als vluchteling. In het eerste gehoor had de echtgenoot van de vreemdeling onder meer verklaard dat hij hoofd was geweest van de rechtbank van het Ministerie van Staatsveiligheid (Khad), dat hij de belangrijkste functies binnen de Khad bekleedde en dat zijn laatste rang luitenant kolonel was geweest. 2.3 In de uitspraken van deze rechtbank en nevenzittingplaats van 28 april 2000 (met onder meer reg.nr. 00/3261) is, voor zover hier van belang, als volgt geoordeeld: Ingevolge artikel 7a, eerste lid, Vw dient een vreemdeling aan wie het niet krachtens de artikelen 8 tot en met 10 is toegestaan in Nederland te verblijven en die zich toegang heeft verschaft door middel van een schip of luchtvaartuig, als zijn verdere toegang wordt geweigerd door een ambtenaar, belast met grensbewaking, onmiddellijk Nederland te verlaten met dat vervoer of een hem door die ambtenaar daarbij aangewezen vervoermiddel. Deze verplichting geldt ingevolge het tweede lid niet, indien de vreemdeling een aanvraag om toelating indient of heeft ingediend. Deze vreemdeling, dan wel de vreemdeling die niet aan de in het eerste lid bedoelde verplichting voldoet, kan verplicht worden zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats, tenzij zijn vertrek daaruit nodig is om zich buiten Nederland te begeven. Het betreft hier blijkens de wettekst een vrije bevoegdheid, waaraan de wet verder geen regels verbindt. Volgens het door verweerder gevoerde beleid, neergelegd in hoofdstuk B7/14 Vc, wordt na aanmelding in het AC-Schiphol en indiening van de asielaanvraag op basis van de hieronder genoemde niet-cumulatieve criteria bezien of een maatregel op grond van artikel 7a lid 2 j° lid 3 toegepast dan wel voortgezet dient te worden. - De asielaanvraag kan binnen de AC-procedure als kennelijk ongegrond of niet-ontvankelijk worden afgedaan. - De asielzoeker maakt deel uit van een grotere groep asielzoekers die op hetzelfde moment arriveert, waarbij aanleiding bestaat om uitgebreid onderzoek te plegen naar de herkomst of oorzaak daarvan. - Er is sprake van 'misbruik van de asielprocedure', bijvoorbeeld doordat de asielzoeker onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn reis of identiteit, of zich van zijn al dan niet vervalste documenten heeft ontdaan of zijn retourticket heeft verscheurd. - Ten aanzien van de asielzoeker, zijn identiteit en nationaliteit, asielrelaas of overgelegde documenten is nader onderzoek of analyse noodzakelijk, teneinde te bepalen of sprake is van een kennelijk ongegronde of niet-ontvankelijke aanvraag. - Ten aanzien van de asielzoeker zal bij een andere staat een verzoek tot overname worden ingediend op basis van de Overeenkomst van Dublin. - Ten aanzien van de asielzoeker is een claim gelegd bij de aanvoerende maatschappij. De rechtbank constateert dat bovengenoemde criteria een inperking inhouden van de bevoegdheid van verweerder om de maatregel ex artikel 7a Vw op te leggen. Blijkens de tekst en de systematiek van hoofdstuk B7/14 Vc - en dan met name het vierde gedachtestreepje - wordt bij toepassing dan wel voortzetting van de maatregel ex 7a Vw door verweerder gedacht aan een situatie waarin overduidelijk is dat de aanvraag om toelating als kennelijk ongegrond of niet- ontvankelijk kan worden afgedaan. Dit hoofdstuk is kennelijk niet geschreven voor een asielzoeker als de onderhavige, waarbij aspecten van openbare orde en criminele antecedenten mogelijk aan de orde zijn en nader onderzoek daarnaar moet plaatsvinden. De rechtbank is dan ook met de gemachtigde van de vreemdeling van oordeel dat, anders dan verweerder stelt, het vierde gedachtestreepje van hoofdstuk B7/14 Vc niet op de onderhavige situatie van toepassing kan zijn. Immers, niet is aannemelijk dat sprake zal zijn van een niet-ontvankelijke of kennelijk ongegronde aanvraag, nu blijkens de uitlatingen van verweerder ter zitting onderzocht wordt of de uitsluitingsclausule van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag aan de orde is en toegepast dient te worden. De rechtbank overwoog voorts: Dit betekent echter niet dat verweerder niet in zeer bijzondere gevallen als de onderhavige kan afwijken van het door hem gevoerde beleid, neergelegd in hoofdstuk B7/14 Vc, en terugvallen op zijn algemene bevoegdheid ex artikel 7a Vw. De rechtbank overweegt hierbij dat het belang van verweerder in verband met aspecten van openbare orde en criminele antecedenten zeer zwaarwegend kan zijn. Wel dient dan toereikend gemotiveerd te worden waarom er afgeweken dient te worden van het algemene uitgangspunt dat ten aanzien van asielzoekers geen maatregel ex artikel 7a Vw opgelegd wordt, behoudens in de gevallen als neergelegd in B7/14 Vc. 2.4 De rechtbank constateert dat ook in onderhavige zaak (allereerst) aan de orde is of voortzetting van de maatregel ex artikel 7a Vw gerechtvaardigd was in afwachting van onderzoek naar de mogelijke toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. 2.5 De rechtbank heeft verweerder verzocht om een antwoord op de vraag of in de onderhavige zaak het zogenaamde vierde gedachtestreepje uit B7/14 Vc van toepassing is en, zo neen, of verweerder van oordeel is dat de onderhavige zaak zo bijzonder is dat verweerder kan afwijken van het door hem gevoerde beleid zoals neergelegd in hoofdstuk B7/14 Vc en kan terugvallen op zijn algemene bevoegdheid ex artikel 7a Vw. Op 23 juli 2000 heeft verweerder per fax meegedeeld, dat hij het antwoord op deze vragen vooralsnog schuldig moet blijven en de rechtbank voorts het volgende bericht. Verweerder is zich naar aanleiding van voormelde uitspraken van 28 april 2000 thans aan het beraden welke verandering het tot dusverre gevoerde beleid dient te ondergaan en hoe hieraan invulling moet worden gegeven. Het interne beraad is nog niet voltooid. Vooralsnog wordt de oude beleidslijn gevolgd. Verweerder verzoekt in de gelegenheid te worden gesteld om binnen een redelijke termijn alsnog de vragen te beantwoorden. 2.6 De rechtbank ziet evenwel geen aanleiding nadere beantwoording van deze vragen af te wachten en het onderzoek in deze zaak thans niet te sluiten, omdat het hier om de beoordeling van de rechtmatigheid van detentie gaat en verweerder geen uitzicht heeft gegeven op beantwoording van de vragen op een - gelet op de aard van de onderhavige zaak - redelijke termijn. 2.7 Noch in zijn voormelde schriftelijke reactie, noch in zijn mondelinge toelichting ter zitting, heeft verweerder de rechtbank aanleiding gegeven om in dit geval tot een andere conclusie te komen dan verwoord in de hiervoor weergegeven uitspraak van 28 april 2000, namelijk dat het beleid vermeld achter het vierde gedachtestreepje van B 7/14 Vc niet ziet op gevallen waarin onderzoek naar de mogelijke toepasselijheid van art 1F Vluchtelingenverdrag aan de orde is. Ook in het onderhavige geval is geen sprake van een aanvraag die overduidelijk als niet- ontvankelijk of ongegrond zal kunnen worden afgedaan. Aan de bestreden beschikking kleeft dan ook een motiveringsgebrek, voor zover daarin wordt verwezen naar het vierde gedachtestreepje. 2.8 Dat motiveringsgebrek is in dit geval echter onvoldoende grond om de toepassing van de vrijheidsbenemende maatregel onrechtmatig te achten en reeds thans de opheffing daarvan te bevelen. 2.9 In dit verband wordt voorop gesteld dat de verklaringen die de (echtgenoot van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.