Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage zittinghoudende te 's-Hertogenbosch Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken -------------------------------- Uitspraak -------------------------------- AWB 99/8971 VRWET Uitspraak van de rechtbank op het beroep ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen: A, naar eigen zeggen geboren op [...] september 1979, wonende te B, eiser, gemachtigde mr. J.C. Gillese, advocaat te 's-Hertogenbosch, en de Staatssecretaris van Justitie, te 's-Gravenhage, verweerder, gemachtigde mr. G.M.G. Hink, ambtenaar ten departemente. I. PROCESVERLOOP Eiser bezit de Guinese nationaliteit en is vreemdeling in de zin van de Vw. Op 9 december 1996 heeft eiser aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf. Op 26 februari 1999 is, in opdracht van verweerder, door drs H.Th. van der Pas een onderzoek ingesteld naar de leeftijd van eiser. Bij schrijven van 19 mei 1999 is namens eiser op het resultaat van het onderzoek gereageerd. Bij besluit van 8 juli 1999 heeft verweerder de aanvraag van eiser om toelating als vluchteling op grond van artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan. Tevens heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag om een vergunning tot verblijf. Dit besluit is aan eiser op 23 juli 1999 uitgereikt. Daarbij is eiser medegedeeld dat nog aan de hand van de inhoud van een eventueel bezwaarschrift zal worden beslist of hij de behandeling ervan in Nederland mag afwachten. Op 19 augustus 1999 is namens eiser tegen voornoemd besluit bezwaar gemaakt bij verweerder. Bij besluit van 13 september 1999 heeft verweerder bepaald dat eiser de beslissing op zijn bezwaarschrift niet in Nederland mag afwachten. Bij verzoekschrift van 27 september 1999 heeft eiser de president verzocht een onverwijlde voorziening te treffen, inhoudende - kort gezegd - dat verweerder niet zal overgaan tot uitzetting van eiser uit Nederland zolang nog niet beslist zal zijn op het bezwaarschrift van eiser. Bij besluit van 24 september 1999 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Tegen het besluit van 24 september 1999 is namens eiser op 21 oktober 1999, aangevuld met gronden op 1 december 1999, beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van 21 oktober 1999 is namens eiser het verzoek om een voorlopige voorziening gewijzigd in die zin dat thans verzocht wordt verweerder te verbieden eiser uit Nederland te verwijderen zolang nog niet op het door hem ingediende beroepschrift is beslist. De president van de rechtbank heeft op 28 april 2000 het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen. Daarbij heeft de president het door eiser op 21 oktober 1999 ingestelde beroep ter behandeling doorverwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank. Verweerder heeft naar aanleiding van het voornoemde beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. Het beroep is, gevoegd met het beroep in de zaak C (registratienummer 99/8968 VRWET), behandeld door de meervoudige kamer van deze rechtbank op 22 augustus 2000, waar eiser in persoon is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens zijn ter zitting verschenen drs. H.Th. van der Pas, antropoloog en universitair docent aan de Katholieke Universiteit Brabant en dr. J.H. Schumacher, arts bij de Stichting Medisch Advies Collectief. II. OVERWEGINGEN Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit van 21 oktober 1999 in rechte stand kan houden. Bij dit besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser legt aan zijn beroep ten grondslag dat hij in Guinee gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging, dan wel dat er klemmende redenen van humanitaire aard aanwezig zijn op grond waarvan hem een vergunning tot verblijf dient te worden verleend. Daartoe heeft eiser het volgende aangevoerd. Eiser behoort tot de Malinka-bevolkingsgroep en is afkomstig uit Conakry. Eisers moeder is in 1993 overleden aan een ziekte. Zijn vader is in februari 1996 overleden. Ook de broer en zus van eiser zijn beide overleden. Na het overlijden van zijn moeder verbleven eiser en zijn broer en zus bij hun vader. Overdag werden zijn broer en zus verzorgd door een vrouw, D genaamd. Eiser zelf werkte op de markt, hij handelde in sigaretten. Eisers vader was militair in het Guinese leger. Hij was lijfwacht van Kolonel Seny Bangoura. Eiser heeft zijn vader op 10 februari 1996 voor het laatst gezien. Eisers vader is omgebracht door militairen omdat hij had deelgenomen aan een staatsgreep tegen de president. Eiser heeft van zijn buurman vernomen dat zijn vader broer en zus door militairen in hun zijn omgebracht. Na de moordpartij hebben de militairen het lichaam van zijn vader meegenomen en het huis in brand gestoken. De moordpartij vond plaats omdat eisers vader betrokken was bij de staatsgreep die op 3 februari 1996 werd verricht. Enkele weken na eisers vader is ook kolonel Seny Bangoura vermoord. Eiser heeft samen met zijn buurman de begrafenis van zijn broer en zus verzorgd. Na twee dagen te hebben verbleven bij zijn buurman is eiser naar de haven gegaan, omdat de militairen ook naar hem op zoek zouden zijn. Daar heeft hij tussen de containers geslapen en verdiende hij overdag geld door het verlenen van hand- en spandiensten. Eiser is vervolgens in november 1996 per schip vanuit Conakry naar Nederland vertrokken. Ten aanzien van het beroep op vluchtelingschap overweegt de rechtbank als volgt. Ingevolge artikel 1(A) van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951 en het bijbehorend Protocol van New York van 1967 (verder te noemen: het Verdrag) in samenhang met artikel 15 zoals dit ten tijde van het bestreden besluit luidde kunnen als vluchteling worden toegelaten vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waar zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep. Ingevolge artikel 15c, eerste lid aanhef en onder a, van de Vw wordt de aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan, indien zij is gegrond op omstandigheden die hetzij op zichzelf of in verband met andere feiten in redelijkheid geen enkel vermoeden kunnen wekken dat rechtsgrond voor toelating bestaat. Voorop wordt gesteld dat de algehele situatie in Guinee niet zodanig is dat vreemdelingen die afkomstig zijn uit dat land en die behoren tot de Malinka bevolkingsgroep, zonder meer als vluchteling aan te merken zijn. Eiser dient derhalve aannemelijk te maken dat er hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden bestaan die vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen. Eiser is hierin naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser tijdens het nader gehoor tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, hetgeen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas. Zo heeft eiser tijdens het nader gehoor eerst verklaard dat hij van de buurman hoorde dat zijn vader, broer en zus waren vermoord en dat de militairen het lichaam van zijn vader hadden meegenomen en de lichamen van zijn broer en zus nog in het huis waren. Eiser is hierop naar het huis gegaan waar hij de lichamen van zijn broer en zus aantrof. Vervolgens heeft eiser, in antwoord op de vraag of de lichamen van zijn broer en zus niet waren verbrand, verklaard dat de buurman de lichamen van zijn broer en zus naast het huis heeft gelegd en dat hij aldaar de lichamen van zijn broer en zus heeft aangetroffen. Ook heeft eiser tegenstrijdige verklaard over het feit of zijn vader al dan niet betrokken was bij een politieke partij. Voorts wekt het bevreemding dat eiser in het geheel niets kan verklaren over de militaire activiteiten van zijn vader en diens uniform, terwijl deze al geruime tijd beroepsmilitair was. Verder acht de rechtbank niet aannemelijk dat eiser vanwege de activiteiten van zijn vader zou worden gezocht door de Guinese autoriteiten, aangezien eiser zonder problemen de begrafenis van zijn broer en zus heeft kunnen regelen en bovendien voor zijn vertrek nog geruime tijd zonder problemen in de haven van Conarkry heeft verbleven. De namens eiser naar voren gebrachte omstandigheid dat de tegenstrijdigheden zijn ontstaan omdat hij de tolk niet goed zou hebben begrepen doet aan bovenstaand oordeel niet af. Immers eiser is tijdens het nader gehoor expliciet gevraagd aan te geven of hij de tolk al dan niet goed begreep en heeft daarbij aangegeven de tolk goed te kunnen verstaan. Gezien het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft aangenomen dat hetgeen eiser naar voren heeft gebracht in redelijkheid geen enkel vermoeden heeft kunnen wekken dat er rechtsgrond bestaat voor toelating van eiser als vluchteling. Ten aanzien van eisers gestelde aanspraak op een vergunning tot verblijf overweegt de rechtbank het volgende. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, van de Vw kan een vergunning tot verblijf aan de vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen slechts voor verblijf in aanmerking komen, indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien zij een reëel risico lopen bij terugkeer een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te ondergaan, of indien sprake is van overige klemmende redenen van humanitaire aard. Gesteld, noch gebleken is dat met de aanwezigheid van eiser hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend. Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij in het algemeen vreemdelingen slechts voor verblijf in aanmerking komen wanneer een verdragsrechtelijke verplichting daartoe noopt, dan wel wanneer met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of klemmende redenen van humanitaire aard tot toelating van de vreemdeling nopen. Een relevante verdragsrechtelijke bepaling vormt in dit verband artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarin is bepaald dat niemand onderworpen mag worden aan folteringen noch onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen. Verweerder voert het beleid om aan personen die een reëel risico lopen bij uitzetting een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM te ondergaan, in beginsel een vergunning tot verblijf te verlenen. Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van eisers beroep op het vluchtelingschap is overwogen, vloeit voort dat het niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt onderworpen te worden aan folteringen of een onmenselijke behandeling, zoals bedoeld in artikel 3 EVRM. Dat eiser aan enige andere verdragsbepaling een aanspraak op verblijf in Nederland kan ontlenen, is de rechtbank niet gebleken. Verder is gesteld noch gebleken dat met de aanwezig van eiser hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend. Evenmin is het bestaan van klemmende redenen van humanitaire aard, op grond waarvan eiser verblijf in Nederland zou moeten worden toegestaan, aannemelijk gemaakt. Ten aanzien van het beroep gericht tegen de weigering van verlening van een vergunning tot verblijf op grond van het beleid ten behoeve van alleenstaande minderjarige asielzoekers dat is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc), onder B7/13 (het zogeheten AMA- beleid) overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen aanspraak op verblijf kan ontlenen aan het AMA-beleid, daar uit leeftijdsonderzoek gebleken is dat eiser ten tijde van de aanvraag meerderjarig was. Eiser heeft de resultaten van het leeftijdsonderzoek gemotiveerd bestreden. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank het volgende gebleken. Het röntgenologisch onderzoek heeft plaatsgevonden op 26 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.