ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE Zittingsplaats Zwolle Vreemdelingenkamer President regnr.: Awb 99/7921 Vrwet Z VV uitspraak: 22 september 2000 UITSPRAAK inzake: A, geboren op [...] 1970, verblijvende te B, van Iraanse nationaliteit, IND dossiernummer 9508.27.4012, verzoeker, gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te Den Haag; tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE (Immigratie- en Naturalisatiedienst), te 's-Gravenhage, verweerder, vertegenwoordigd door mr. C. Kagenaar, ambtenaar ten departemente. 1 PROCESVERLOOP 1.1 Op 28 augustus 1995 heeft verzoeker een aanvragen om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf gedaan. Bij beschikking van 15 december 1995 heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd. 1.2 Verzoeker heeft daartegen bij brief van 17 januari 1996 bezwaar gemaakt. Verzoeker is medegedeeld dat hij de behandeling van het bezwaar niet in Nederland mag afwachten. Het verzoek om een voorlopige voorziening, dat verzoeker heeft ingediend, is bij uitspraak van 20 mei 1996 afgewezen, waarbij het bezwaar met toepassing van artikel 33b Vw ongegrond is verklaard. 1.3 Op 7 juli 1997 heeft verzoeker opnieuw een aanvraag om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf gedaan. Bij beschikking van 25 februari 1999 heeft verweerder de aanvraag om toelating als vluchteling kennelijk ongegrond verklaard en de aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf niet ingewilligd. 1.4 Verzoeker heeft tegen deze beslissing bij brief van 12 april 1999 bezwaar gemaakt. Verzoeker is medegedeeld dat hij de behandeling van het bezwaar niet in Nederland mag afwachten. 1.5 Bij verzoekschrift van 27 juli 1999 heeft verzoeker de president verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het bezwaar is beslist. 1.6 De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan verzoeker gezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. 1.7 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. 1.8 Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 17 augustus 2000. Verzoeker is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. 1.9 De president heeft ter zitting het onderzoek geschorst teneinde inzage te verkrijgen in de onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht van 20 april 2000 alsmede verweerder in de gelegenheid te stellen te reageren op het door verzoeker gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft de stukken ingezonden onder verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft een schriftelijke reactie ingezonden naar aanleiding van het beroep op het gelijkheidsbeginsel. Verzoeker heeft hierop nader schriftelijk gereageerd. 2 OVERWEGINGEN 2.1 Ingevolge artikel 8:81 Awb kan de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.2 Door de uitspraak van 20 mei 1996 is in rechte onaantastbaar komen vast te staan dat verzoeker geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag, respectievelijk artikel 15 van de Vreemdelingenwet en dat hij geen aanspraak kan maken op een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. 2.3 Verweerder heeft aan zijn beslissing op de nieuwe aanvraag van verzoeker ten grondslag gelegd dat ingevolge het bepaalde in artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) een aanvraag om toelating als vluchteling niet wordt ingewilligd wegens de kennelijk ongegrondheid ervan indien de aanvraag is gegrond op omstandigheden die hetzij op zichzelf of in verband met andere feiten geen enkel vermoeden kunnen wekken dat rechtsgrond voor toelating bestaat. 2.4 De president zal, nu beide partijen uitgaan van de aanwezigheid van nieuwe feiten en omstandigheden, voorzover de beslissing tot uitzetting samenhangt met de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating als vluchteling, toetsen of er in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat geen gevaar bestaat voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin, en voor zover de beslissing tot uitzetting samenhangt met de beslissing aan verzoeker geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen, toetsen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. 2.5 Op grond van artikel 15 Vw in samenhang met artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden toegelaten. 2.6 Het vluchtrelaas van verzoeker komt op het volgende neer. Verzoekers problemen in Iran zijn begonnen tijdens zijn studie op de universiteit. Dit was omstreeks eind april 1995. Verzoeker was sedert september/oktober 1994 in conflict met een godsdienstdocent over zijn vriendin. Hiervoor is verzoeker verscheidene malen door het Comité ondervraagd. Verzoeker is tijdens de ondervragingen bedreigd en mishandeld. Nadat verzoeker van een vriend (die bij de administratie werkte) vernomen had dat genoemde godsdienstdocent corrupt was, omdat hij fraudeerde met bonnen, confronteerde verzoeker de godsdienstdocent met dat gegeven. De docent heeft slechts geglimlacht en is weggelopen. Enige dagen later vernam verzoeker van een vriend van de docent dat hij moest uitkijken, daar hij anders ernstige problemen zou krijgen. Nadat verzoeker drie weken niet op school was verschenen, ging hij op last van zijn vader weer naar school. Een week later is hij weer weggebleven van school. Tussen april 1995 en augustus 1995 heeft verzoeker (zonder problemen) bij zijn opa en andere familieleden verbleven. Verzoeker heeft zijn land in augustus 1995 via de luchthaven Teheran op legale wijze verlaten. Verzoeker heeft aan zijn tweede asielaanvraag dezelfde motieven ten grondslag gelegd als aan zijn eerste aanvraag d.d. 7 juli 1997. Hij heeft een aantal documenten overgelegd bij zijn tweede aanvraag: 1. een oproep van 22 april 1996 voor verschijning op de rechtbank op 23 mei 1996; 2. een oproep van 26 mei 1996 voor verschijning op de rechtbank d.d. 5 augustus 1996; 3. een vonnis van de rechtbank van 22 april 1996; 4. een afschrift van een kranteartikel over de algemene situatie;5. een afschrift van een Nederlands kranteartikel over de dood van zijn oom. 2.7 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat de nieuwe feiten en omstandigheden niet zodanig zijn dat deze tot een ander oordeel behoren te leiden. Verweerder meent dat verzoeker andere verklaringen heeft afgelegd dan in de eerste aanvraag. De documenten zijn volgens verweerder niet authentiek. Verweerder heeft - onder meer - overwogen dat de briefnummers, vermeld in het vonnis, niet overeenkomen met de briefnummers van de oproepen. De wijze waarop verzoeker de documenten heeft verkregen acht verweerder ongeloofwaardig. Verzoekers vader zou de oproepen door omkoping van een agent hebben bemachtigd, terwijl verzoeker in het nader gehoor heeft verklaard dat de oproepen bij zijn zijn huis waren afgegeven. Verzoekers vader zou de uitspraak door omkoping in zijn bezit hebben gekregen, terwijl de vertaling van de uitspraak vermeldt dat een kopie van de uitspraak ter kennisneming aan partijen wordt gestuurd. De aanklacht "ordeverstoring op de universiteit" wordt niet door een revolutionaire rechtbank behandeld. Verweerder wijst voorts op verzoekers legale uitreis uit Iran, hetgeen niet duidt op problemen met de Iraanse autoriteiten. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft bij individueel ambtsbericht d.d. 20 april 2000 medegedeeld dat de dagvaardingen niet authentiek zijn omdat deze niet zijn opgesteld op de wijze die bij dergelijke documenten in Iran gangbaar is. Eerder - op 3 september 1999 - heeft het Bureau Documenten al een gelijkluidend oordeel gegeven. 2.8 Verzoeker stelt zich op het standpunt dat verweerder de door hem overgelegde documenten had behoren te laten onderzoeken door de Minister van Buitenlandse Zaken. Voorzover verweerder stelt dat de briefnummers niet overeenkomen, wijst verzoeker erop dat hier sprake is van een vertaalfout. Verzoeker heeft de juiste vertaling overgelegd. Verzoeker stelt dat de oproepen niet zijn uitgereikt, omdat verzoeker er zelf niet was. Er bestaat geen (wettelijke) manier om oproepen op te vragen, zodat zijn vader wel moest betalen. "Ordeverstoring op de universiteit" is een delict dat de aandacht van de revolutionaire rechtbank trekt. Tevens heeft verzoeker een beroep gedaan op het driejarenbeleid, neergelegd in TBV 1999/22 van 29 september 1999. Hij verbleef op 22 januari 1999 in de opvang en heeft vóór 25 juni 1996 asiel aangevraagd. Verzoeker heeft ter zake eveneens een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Verweerder heeft in een aantal zaken, waarin door vreemdelingen onjuiste documenten zijn verstrekt, desondanks een vergunning tot verblijf op grond van eerdergenoemde TBV verleend. 2.9 De president heeft het voor de beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening van belang geacht inzage te krijgen in de onderliggende stukken van het ambtsbericht van 20 april 2000. Op 18 augustus 2000 heeft de president de Minister van Buitenlandse Zaken verzocht de betreffende stukken aan hem te doen toekomen. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft bij schrijven van 31 augustus 2000 aan dit verzoek voldaan. Onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 8:29, eerste lid, Awb heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat kennisneming van de onderliggende stukken tot de (president van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.