Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage zittinghoudende te Amsterdam Sector Bestuursrecht enkelvoudige kamer Uitspraak artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht jo artikel 33a Vreemdelingenwet reg.nr.: AWB 98/6286 VRWET Inzake: A, wonende te B, eiser, tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING 1. Eiser, geboren op [...] 1981, bezit de Somalische nationaliteit. Hij verblijft sedert 7 juli 1997 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 8 juli 1997 heeft hij aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Bij besluit van 26 november 1997 heeft verweerder op deze aanvragen afwijzend beslist. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 3 december 1997, aangevuld bij brief van 16 december 1997. Bij besluit van 30 juli 1998 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Het besluit is bij brief van dezelfde datum aan de gemachtigde van eiser gezonden. 2. Bij beroepschrift van 31 juli 1998, aangevuld bij brieven van 11 augustus 1998, 14 september 1998 en 21 september 1998, heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. In beroep heeft eiser verzocht het bestreden besluit te vernietigen, te bepalen dat de uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit dan wel verweerder op te dragen een nieuw besluit te nemen onder vaststelling van een termijn, en verweerder te veroordelen in de proceskosten, waaronder het griffierecht. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. Bij uitspraak van 21 januari 1999 heeft de president het verzoek om een voorlopige voorziening van 31 juli 1998, gericht tegen de beslissing van verweerder uitzetting hangende de beroepsfase niet achterwege te laten, toegewezen, omdat verweerder heeft verzuimd tijdig de stukken in te zenden. Op 2 september 1999 en 20 oktober 1999 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 29 september 1999 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Bij brief van 26 oktober 1999 heeft eiser nog een nader stukingezonden. 3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 1999. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. G.B. Dekker, advocaat te Leeuwarden. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. S.D.M. Michael, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie. 4. De rechtbank heeft bij beslissing van 17 februari 2000 het onderzoek heropend ten einde de antwoorden van verweerder op de door de zittingsplaats 's-Hertogenbosch van deze rechtbank in vergelijkbare zaken gestelde vragen af te wachten. 5. Bij brief van 17 april 2000 heeft eiser gereageerd op de door verweerder gegeven antwoorden. Beide partijen hebben toestemming gegeven de zaak zonder nadere zitting af te doen. II. OVERWEGINGEN 1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. 2. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij in aanmerking komt voor toelating als vluchteling dan wel voor verlening van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Daartoe heeft hij, zakelijk weergegeven, bij het nader gehoor op 19 augustus 1997 naar voren gebracht dat hij behoort tot de Galgale clan, subclan Jimale. Eiser heeft door zijn afkomst problemen ondervonden van leden van de Abgaalclan. Eisers vader is in 1992 in zijn winkel doodgeschoten vanwege zijn afkomst en vanwege de winkel. Eiser weet niet door wie zijn vader is doodgeschoten. Op een avond in 1994 zijn eiser en zijn familie in huis aangevallen door leden van de Abgaalclan. Eisers broer is toen vastgebonden en doodgeschoten. Eiser is diezelfde avond mishandeld. Hij werd vastgebonden aan een pilaar en werd met een touw geslagen. Eiser kon toen ze hem steviger wilden vastbinden wegrennen, maar werd in zijn arm geschoten. Omdat de leden van de Abgaalclan dachten dat eiser dood was, hebben ze hem laten liggen en zijn ze weggegaan. Eiser heeft vervolgens drie maanden in het ziekenhuis gelegen en in 1995 is hij met zijn familie naar de wijk Hodan in Mogadishu verhuisd, waar hij tot aan zijn vertrek op 3 april 1997 heeft gewoond. Eiser liep als enige overgebleven man van het gezin meer gevaar dan zijn moeder en zuster. Eisers moeder heeft eiser min of meer gedwongen om het land van herkomst te verlaten, omdat zij zeker wist dat eiser anders gedood zou worden. Vanaf 1995 heeft eiser persoonlijk geen problemen meer ondervonden. Eiser is binnenshuis gebleven omdat het ook in de wijk Hodan niet veilig voor hem was. Tot aan eisers vertrek uit Somalië woonde eisers moeder in de wijk Hodan. Zij heeft geen problemen ondervonden. In bezwaar heeft eiser aangevoerd dat hij vanwege de problemen met de Abgaalclan altijd thuis bleef. Zowel eisers vader als zijn broer zijn door de Abgaalclan vermoord. Voorts heeft eiser een beroep gedaan op het "traumatabeleid". Ten aanzien van het AMA-beleid heeft eiser gesteld dat hij en zijn moeder in 1995 het ouderlijk huis verlaten hebben en in de wijk Hodan bij C en D zijn gaan wonen. Eiser weet niet of zijn moeder daar nog verblijft. Derhalve wordt ten onrechte overwogen dat eiser naar zijn moeder kan terugkeren. Bovendien heeft verweerder nagelaten kennis omtrent relevante feiten en af te wegen belangen ten aanzien van adequate opvang in het land van herkomst te vergaren. In beroep heeft eiser gesteld dat de Galgale-clan aan vervolging door andere stammen bloot staat omdat de Galgale-clan Siad Barre heeft gesteund en voor hem heeft gevochten. Om die reden zijn eisers vader en broer door leden van een andere stam omgebracht. Er is sprake van een minderheidsclan die geen bescherming van andere stammen kan krijgen. In de wijk in Mogadishu waren veel leden van de Abgaal-clan. Het huis waar eiser verbleef werd niet aangevallen, omdat de bewoners gewapend waren. Andere huizen waarvan men wist dat zij niet bewapend waren werden wel aangevallen. Door het in huis zitten is de situatie voor eiser onhoudbaar geworden. Eiser weet niet waar zijn moeder verblijft, waardoor het niet zeker is dat er voldoende opvang voor hem is. Eiser heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 april 1998, AWB 97/3647, JUB. nr. 11, juni 1998, pagina 46. Eiser probeert zijn moeder via het Rode Kruis te zoeken. Eiser heeft ten slotte nog verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 8 januari 1998, AWB 95/7915, JUB. 5, nr. 2, 29 januari 1998, pagina 20, waarin is overwogen dat voor de Darod, Marehan en Hawiye de provincie Mudug niet veilig is. Ter zitting heeft eiser nog verklaard dat hij, nadat hij uit het ziekenhuis was ontslagen, nog negen à tien maanden in het ouderlijk huis heeft gewoond. Vervolgens heeft eiser nog ongeveer twee jaar in een woning in een andere wijk van Mogadishu verbleven, waar hij al die tijd binnen is gebleven. Eiser heeft ter zitting het beroep op het traumatabeleid ingetrokken. 3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De omstandigheid dat eiser stelt te behoren tot de clan Galgale, subclan Jimale in Somalië, en dat hij discriminatoir wordt bejegend door leden van de Abgaal-clan, vormt onvoldoende grond om ten aanzien van eiser tot vluchtelingschap te concluderen. Hoewel niet uitgesloten is dat de leden van de Galgale-clan in een voorkomend geval discriminatie te duchten hebben kan uit eisers verklaringen niet worden afgeleid dat de gestelde discriminatie zodanig is dat zijn leven onhoudbaar is geworden. Ten aanzien van de stelling van eiser dat zijn vader in 1992 is gedood vanwege zijn afkomst, overweegt verweerder dat niet is gebleken dat er sprake is van een met de persoon van eiser verband houdende daad van vervolging. Ten aanzien van eisers verklaring dat zijn broer E in 1994 is gedood door leden van de Abgaal-clan overweegt verweerder dat eiser nog tot 1995 heeft gewacht alvorens te verhuizen naar een andere wijk waar het veiliger zou zijn. Eiser bevond zich toen klaarblijkelijk niet in een acute vluchtsituatie. Eiser heeft in het tijdvak voor zijn verhuizing geen problemen ondervonden en is niet anderszins lastig gevallen, hetgeen aangeeft dat eiser niet in de negatieve aandacht staat van welke zijde ook. Eiser heeft zich door de verhuizing naar een andere wijk kunnen onttrekken aan eventuele problemen betreffende zijn afkomst. Verweerder heeft hierbij verwezen naar het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 3 juli 1997 (kenmerk DPC/AM/539478). Eiser heeft na de aanval op zijn woning in 1994 tot aan zijn vertrek uit Somalië op 3 april 1997 geen problemen meer ondervonden. Bovendien genoten eiser en zijn moeder na hun verhuizing naar de wijk Hodan in Mogadishu bescherming van de Habar Gedir clan. De verklaringen van eiser zijn niet van dien aard dat aannemelijk is dat van hem als gevolg van traumatische ervaringen in redelijkheid niet kan worden verwacht terug te keren naar Somalië. Eiser heeft verklaard dat zijn moeder verblijft in de wijk Hodan te Mogadishu. Gesteld noch gebleken is dat zijn moeder aldaar niet meer verblijft, zodat dient te worden aangenomen dat eiser op adequate wijze door zijn moeder kan worden opgevangen. Verweerder heeft onder verwijzing naar het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 januari 1997 (kenmerk: DPC/AM/539478) overwogen dat eiser geacht wordt zich met zijn moeder in Noord-Somalië te kunnen vestigen. Eiser maakt derhalve geen aanspraak op toelating op grond van het beleid ten aanzien van alleenstaande minderjarige asielzoekers (het zogenaamde AMA-beleid). Verweerder heeft op grond van artikel 32, tweede lid, van de Vw van horen afgezien. In het verweerschrift heeft verweerder nog gesteld dat de door eiser gestelde situatie veeleer te maken had met de strijd en rivaliteit tussen elkaar bevechtende (sub)clans en facties, waarin men het risico liep op willekeurige wijze slachtoffer te worden van geweld. Aan de stelling dat eiser via het Rode Kruis probeert zijn moeder te zoeken gaat verweerder, gelet op de ex tunc-toetsing, voorbij nog daargelaten de omstandigheid dat deze stelling op geen enkele wijze is onderbouwd. Naar aanleiding van het ambtsbericht van 17 mei 1995 heeft verweerder bij brief van 23 augustus 1995 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer laten weten dat niet langer kan worden gesteld dat verwijdering naar Somalië in zijn algemeenheid bijzondere hardheid oplevert. Somaliërs die behoren tot de Darod-clanfamilie komen met ingang van 23 augustus 1995 niet langer in aanmerking voor verlening van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv). Verweerder heeft voorts verwezen naar een viertal uitspraken van de Rechtseenheidskamer Vreemdelingenzaken (REK) van 3 juni 1999, waarvan twee zijn gepubliceerd in JUB 1999/8 onder 2 en 3, waarin onder meer is geoordeeld dat ten aanzien van de clanfamilies Darod en Hawiye onvoldoende is gemotiveerd dat een relatie op clanfamilieniveau toereikend is om een terugkeermogelijkheid naar het noorden aanwezig te achten. Verweerder conformeert zich in zoverre aan deze uitspraken dat voor Somaliërs die behoren tot de Darod- en Hawiye-clanfamilies een terugkeermogelijkheid naar het relatief veilige deel van Somalië aanwezig wordt geacht, indien de clan waartoe de vreemdeling behoort clangebied heeft in dat deel van Somalië. Onder verwijzing naar het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 11 juni 1998 (kenmerk: DPC/AM/604869) heeft verweerder overwogen dat de Galgale hebben geconcludeerd dat zij meer verwant zijn aan de Saleban, een subclan van de Majerteen (Darod). Dat de Galgale-clan bescherming geniet van de Darod, Majerteenclan geldt voor geheel Somalië, dus ook het Noorden van Somalië. Volgens bijlage II van het genoemde ambtsbericht van 9 januari 1997 heeft de Majerteen-clan zijn woongebied in het veilige Noord-Westen van Somalië en kwam eiser derhalve hoe dan ook niet in aanmerking voor een vvtv. Verweerder heeft naar aanleiding van de door deze rechtbank, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, aan hem gestelde vragen een telefoonnotitie van 29 november 1999 van een telefoongesprek met een medewerker van het Ministerie van Buitenlandse Zaken overgelegd. In dit gesprek is naar voren gekomen dat de Galgale zich over hun afkomst hebben beraden en hebben vastgesteld dat zij meer verwant zijn aan een Darodclanfamilie (Majerteen, subclan Saleban). De Galgale vochten in januari 1991 rond Mogadishu mee aan de zijde van de Majerteen en vluchtten met hen naar Kismayo (een deel van de Galgale bleef in Mogadishu, onder bescherming van de Hawiye-clan Abgal, subclan Mudulod). Er bevinden zich Galgale bij de Majerteen in Kismayo en bij de Majerteen in de provincie Bari in Noordoost Somalië. Het ambtsbericht van januari 1997 bevestigt dat de provincie Bari kan worden gerekend tot "relatief veilig" gebied. Het regionale bestuur slaagt erin te voorkomen dat mensenrechten op ernstige wijze worden geschonden. Recente informatie wijst uit dat zich in Puntland meer dan honderdduizend interne vluchtelingen hebben hervestigd, waaronder grote aantallen behorend tot clans die geen traditioneel woongebied hebben in de regio. Hun mensenrechten worden niet op ernstige wijze geschonden, ook niet als zij geen expliciete bescherming genieten van een "resident" clan. In deze situatie zijn er geen aanwijzingen dat de Galgale in de provincie Bari te vrezen hebben voor vervolging, noch dat hun mensenrechten worden geschonden op willekeurige wijze, in ernstige mate of met hoge frequentie. Verweerder heeft bij brief van 7 maart 2000 expliciet op de vragen van deze rechtbank, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, geantwoord. Hierbij heeft verweerder onder meer gesteld dat de landeninformatie van UNHCR REFWORLD van 15 oktober 1998 bestaat uit de weergave van een opinie van een professor in de sociologie zonder dat sprake is van enige bronvermelding. De mening van deze professor is strijdig met de informatie die door het Ministerie van Buitenlandse Zaken is verstrekt. Voorts heeft verweerder naar voren gebracht dat aan de clanverwantschap ten grondslag ligt dat deze is terug te voeren op een verwantschap al dan niet bestaande uit een bloedband. Indien een dergelijke verwantschap bestaat, kunnen steun en bescherming worden ingeroepen los van enig territorialiteitsbeginsel. Dit impliceert dat op clanverbanden kan worden teruggevallen op ieder plaats in Somalië. Het hangt van de situatie af of degene(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.