vC/A rolnummer: 98.4357 datum vonnis: 14 februari 2001 ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 's-GRAVENHAGE Sector Civiel Recht - Kamer A Vonnis in de zaak met rolnummer 98.4357 van: A, wonende te Naaldwijk, eiser in conventie, verweerder in reconventie, procureur: mr M.W.F.M. de Leeuw; tegen 1. B, en 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid C B.V., wonende respectievelijk gevestigd te 's-Gravenzande, gedaagden in conventie, eisers in reconventie, procureur: mr M.A.B. Sassen. Partijen worden hierna aangeduid als "A", "B" en "C". De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder thans ook het tussenvonnis van deze rechtbank van 12 juli 2000 en het proces-verbaal van de op 26 oktober 2000 gehouden comparitie van partijen. RECHTSOVERWEGINGEN Beoordeling in conventie en in reconventie 1. De rechtbank houdt zich aan hetgeen in voormeld tussenvonnis is overwogen en beslist. Met dien verstande dat Makelaar Ros in zijn door A ter gelegenheid van de comparitie van partijen overgelegde brief van 10 oktober 2000 heeft laten weten dat zijn brief van 16 juni 1998 geen taxatierapport is. Bij de feitenvaststelling als vermeld in het tussenvonnis sub 1.16 dient de laatste zinsnede derhalve als niet geschreven te worden beschouwd. te lage verkoopprijs 2.1 In het tussenvonnis is reeds overwogen dat de verkoopprijs van het pand vanwege het aspect "kosten koper" in ieder geval f 53.696,= te laag was. Met betrekking tot de vraag of en zo ja in hoeverre ook een verkoopprijs van f 895.000,= k.k. als een te lage verkoopprijs moet worden aangemerkt overweegt de rechtbank als volgt. 2.2 In het tussenvonnis is reeds overwogen dat het min of meer identieke buurpand - na een jaar voor f 1.100.000,= te koop te hebben gestaan - begin februari 1999 voor f 950.000,= k.k. is verkocht, zodat er - gelet op de door A gestelde waardestijging per jaar van 2% - geen reden is om per januari 1997 uit te gaan van een hogere opbrengst dan in de orde van grootte van f 913.000,= k.k.. In het-geen partijen nadien hebben aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander bedrag te geraken. Daarbij speelt in het bijzonder een rol dat de vergelijkbaarheid van de panden in kwestie aanvankelijk door A niet is betwist en het feit dat de lange leegstand en de opbrengst van het buurpand meer sporen met de taxa-ties die B heeft overgelegd dan met de taxatie waarop A zich beroept. Een en ander is naar het oordeel van de rechtbank niet anders, indien er van wordt uitgegaan dat uit-eindelijk - nadat eerst een schriftelijk bod van f 950.000,= is gedaan - in de koopsom voor het buurpand een vergoeding van enkele tienduizenden guldens voor roerende goederen is op-genomen. Gelet op een en ander bepaalt de rechtbank de destijds in aanmerking te nemen koop-prijs in redelijkheid en billijkheid op een be-drag van f 913.000,= k.k.. 2.3 Het voorgaande leidt er toe dat het er in de onderhavige procedure voor moet worden gehou-den dat de tussen X Vastgoed en C destijds gehanteerde koopprijs (f 53.696,= + f 18.000,= zijnde) f 71.696,= te laag was. claim van A of (uitsluitend) van X Vastgoed? 3.1 X Vastgoed heeft als gevolg van de te laag vastgestelde verkoopprijs voor het pand schade ge-leden. B is daarvoor in beginsel jegens X Vastgoed aansprakelijk. Immers, hij heeft in de uitoefening van zijn directiefunctie jegens X Vastgoed wanprestatie gepleegd. C - aan wie de betreffende wetenschap en handelwijze van B kan worden toegerekend en die van de te lage verkoopprijs heeft geprofiteerd - heeft ter zake jegens X Vastgoed onrechtmatig gehandeld en is uit dien hoofde in beginsel ter zake eveneens jegens X Vastgoed voor de betref-fen-de schade aansprakelijk. Dan komt vervolgens aan de orde of deze schade thans door A kan worden gevorderd, gelet op het feit dat deze - zoals in het tussenvonnis is over-wogen - als "afgeleide schade" moet worden aangemerkt. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt. 3.2 Tussen A en B bestaat binnen de directie en aandeelhoudersvergadering van X Vastgoed een patstelling. Als oplossing daarvan zou denkbaar zijn dat X Vastgoed zou wor-den geliquideerd en dat op basis daarvan tussen partijen zou worden afgere-kend. Dit punt is ter comparitie ter sprake geweest. A heeft toen verklaard daar niet voor te voelen en heeft zelfs medegedeeld ernaar te streven alle aandelen van X Vastgoed te verwerven. B heeft aangevoerd wel met liquidatie doch niet met overdracht van de aandelen X Vastgoed aan A te kunnen instemmen. 3.3 A vordert in deze procedure schadevergoeding bestaande in de waar-de-da-ling van zijn aandelen in X Vastgoed. Daarbij rijzen twee vragen:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.