ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ’S-GRAVENHAGE sector bestuursrecht eerste kamer, meervoudig Reg. nr. AWB 99/8034 ABW UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Uitspraak in het geding tussen A, wonende te B, eiser, en de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, vrouwvrouwverweersterverweerster. Ontstaan en loop van het geding Bij besluit van 26 februari 1999 heeft verweerster op de aanvraag van 4 januari 1999 om een uitkering krachtens de Algemene bijstandswet (Abw) afwijzend beslist op grond van artikel 9, eerste lid, van de Abw. Tegen dit besluit manmanheeftheeft manmaneisereiser bij brief van 12 maart 1999 een bezwaarschrift bij verweerster ingediend. Bij brief van eveneens 12 maart 1999 heeft eiser een verzoek om voorlopige voorziening bij de president van deze rechtbank ingediend. Bij uitspraak van 26 april 1999 heeft de (fungerend) president het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en bepaald dat verweerster aan eiser met ingang van 15 maart 1999 tot en met zes weken na de datum van verzending van de beslissing op bezwaar een aanvullende bijstandsuitkering moet toekennen. Bij besluit van 29 juli 1999, verzonden op 9 augustus 1999, heeft verweerster het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard, en aan eiser alsnog met ingang van 4 januari 1999 tot en met 28 januari 1999 een bijstandsuitkering naar de norm zak- en kleedgeld toegekend. Met betrekking tot de periode vanaf 29 januari 1999 is het bezwaar ongegrond verklaard op grond van artikel 9, eerste lid, van de Abw. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 2 september 1999, ingekomen bij de rechtbank op 3 september 1999, en aangevuld bij brief van 21 oktober 1999, beroep ingesteld. Bij brief van 3 december 1999 heeft eiser een verklaring van het Psycho-Medisch Centrum X ingediend. vrouwvrouwVerweersterVerweerster heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 26 juni 2000 een verweerschrift ingediend. Het beroep is op 18 december 2000 ter zitting behandeld. Voor eiser is verschenen zijn advocaat mr. W.M.A. der Weduwe-de Groot. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door G.R.L. Berkes. Motivering De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, voor zover daarbij ook na heroverweging aan eiser een bijstandsuitkering is geweigerd vanaf 29 januari 1999, in rechte stand kan houden. Blijkens de stukken is bij vonnis van 3 september 1998 van deze rechtbank aan eiser een maatregel opgelegd, in die zin dat hij met toepassing van artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) voor de duur van een jaar in een psychiatrisch ziekenhuis is geplaatst. Op 4 januari 1999 is hij overgebracht naar de gesloten afdeling van de inrichting Y, afdeling Psychiatrische Zorg en Drugs (PZD-X) te B. Op 29 januari 1999 heeft eiser, naar zijn zeggen met toestemming van zijn behandelaar, de inrichting verlaten. Verweerster heeft het bestreden besluit doen steunen op de overweging dat aan eiser krachtens de hem opgelegde maatregel rechtens zijn vrijheid was ontnomen. Dat eiser vanaf 29 januari 1999 niet langer in de inrichting zou hebben verbleven, doet volgens verweerster niet aan af het onvrijwillig karakter van de maatregel. Dit zou slechts anders zijn indien zou blijken dat de behandeling met toestemming van de geneesheer-directeur is gestaakt. Nu eiser een verklaring van die strekking niet heeft kunnen overleggen, moet volgens verweerster worden aangenomen dat eiser ook na 29 januari 1999 rechtens zijn vrijheid was ontnomen, zodat hij op grond van artikel 9, eerste lid, van de Abw niet voor bijstand in aanmerking kwam. Eiser heeft in beroep (samengevat) aangevoerd dat hij met ingang van 28 januari 1999 voorwaardelijk uit de inrichting is ontslagen, en zich uitsluitend wekelijks behoefde te melden voor ambulante behandeling. Naar zijn mening was hem dan ook niet langer zijn vrijheid ontnomen. Eiser heeft een verklaring overgelegd van de behandelend arts, in overleg met de behandelend psychiater, waarin wordt gesteld dat eiser van 4 januari 1999 tot 18 januari 1999 (de rechtbank leest 28 januari 1999) met een strafrechtelijke machtiging opgenomen is geweest op de afdeling PZD van X. Naar het oordeel van de rechtbank kan de gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van artikel 37, eerste lid, van het WvSr niet op één lijn worden gesteld met andere vormen van vrijheidsbeneming waarop artikel 9, eerste lid, van de Abw, betrekking heeft. Tot dit oordeel komt de rechtbank op grond van de wetsgeschiedenis, met name de toelichting bij artikel 9 van de Abw, waaruit blijkt dat met het begrip “rechtens zijn vrijheid ontnomen” wordt gedoeld op gedetineerden die voor de algemene en bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan vallen onder de financiële verantwoordelijkheid van het Ministerie van Justitie (Kamerstukken II, vergaderjaar 1991-1992, 22 545, nr. 3). In het geval er sprake is van een gedwongen opname met toepassing van artikel 37, eerste lid, van het WvSr wordt in de kosten van levensonderhoud niet door de Staat voorzien; belanghebbende is derhalve aangewezen op een bijstandsuitkering naar de van toepassing zijnde uitkeringsnorm. Onlangs is de relatie tussen het begrip “rechtens zijn vrijheid ontnomen” en een gedwongen opname in het kader van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet BOPZ) dan wel een gedwongen opname met toepassing van artikel 37, eerste lid, van het WvSr, aan de orde gekomen bij de behandeling van de Wet sociale zekerheidsrechten gedetineerden. Uit de toelichting bij dit wetsvoorstel blijkt eveneens dat bij een gedwongen opname op grond van de Wet BOPZ of met toepassing van artikel 37, eerste lid, van het WvSr, het niet gerechtvaardigd wordt geacht om belanghebbenden uit te sluiten van het recht op een uitkering, aangezien de Staat in deze gevallen niet voorziet in het levensonderhoud van de opgenomen personen. Voorts wordt toegelicht dat het gaat om personen wie hun vrijheidsontneming niet kan worden aangerekend. Het gaat hierbij in feite om een rechterlijke machtiging tot opname in een psychiatrisch ziekenhuis zoals die doorgaans door de civiele rechter op grond van de Wet BOPZ wordt opgelegd. De wijze van tenuitvoerlegging van deze maatregel vindt ook geheel volgens de bepalingen van de Wet BOPZ plaats, en de last moet in dit kader met de civielrechtelijke machtiging worden gelijkgesteld (Kamerstukken II 1997-1998, 26 063, nr. 3). Overigens merkt de rechtbank op dat verweerster zelf heeft vastgesteld dat eiser gedurende zijn gedwongen opname op de afdeling PZD van X was aangewezen op een bijstandsuitkering aangezien zij eiser een bijstandsuitkering heeft verstrekt naar de norm zak- en kleedgeld gedurende de periode van 4 januari 1999 tot 29 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.