Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage zittinghoudende te 's-Hertogenbosch Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken -------------------------------- Uitspraak -------------------------------- AWB 98/4679 V1 Uitspraak van de rechtbank op het beroep ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen: A, te B, eiser gemachtigde mr. E.J.M. van Ewijk, advocaat te Nijmegen, en de Staatssecretaris van Justitie te 's-Gravenhage, verweerder. I. PROCESVERLOOP Eiser bezit de Somalische nationaliteit en verblijft sedert 17 mei 1996 in Nederland als vreemdeling in de zin van de Vw. Op 18 mei 1996 heeft eiser verzocht om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf. Bij besluit van 23 februari 1998 heeft verweerder de door eiser ingediende aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens de kennelijke ongegrondheid daarvan. Tevens heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van eiser om verlening van een vergunning tot verblijf. Daarbij heeft verweerder bepaald dat eiser de beslissing op een eventueel in te dienen bezwaar niet in Nederland mag afwachten. Bij brief van 16 maart 1998 heeft eiser tegen voornoemd besluit bezwaar gemaakt bij verweerder. Bij verzoekschrift van eveneens 16 maart 1998 heeft eiser de president van deze rechtbank verzocht bij wege van voorlopige voorziening te bepalen dat de uitzetting van eiser achterwege dient te blijven, zolang niet op zijn bezwaar zal zijn beslist. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer AWB 98/2218 VV. Bij besluit van 14 mei 1998 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Bij beroepschrift van 11 juni 1998 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het besluit van 14 mei 1998. De nadere gronden van dit beroep zijn door de rechtbank ontvangen op 23 juli 1998. Tevens heeft eiser op 11 juni 1998 zijn verzoek om een voorlopige voorziening in dier voege gewijzigd dat het strekt tot een verbod tot uitzetting voor de duur van de beroepsprocedure. Verweerder heeft naar aanleiding van het beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. Eiser heeft de gronden van zijn verzoek om een voorlopige voorziening en van zijn beroep aangevuld bij schrijven van 10 augustus 1999. Het verzoek om een voorlopige voorziening en het beroep zijn behandeld op de zitting van 13 augustus 1999. Het verzoek om een voorlopige voorziening, bekend onder nummer AWB 98/2218, is door eiser ter zitting van 13 augustus 1999 ingetrokken, na de toezegging van verweerder dat eiser de uitspraak op zijn beroep in Nederland mag afwachten. Op 6 oktober 1999 heeft de rechtbank in de beroepszaak besloten tot heropening van het onderzoek en heeft zij verweerder verzocht antwoord te geven op een drietal vragen met betrekking tot de Galgale-clan. Een afschrift van deze beslissing is aan partijen verzonden op 13 oktober 1999. Bij schrijven van 2 december 1999 heeft verweerder een telefoonnotitie overgelegd van een gesprek met een medewerker van het ministerie van Buitenlandse Zaken van 29 november 1999. In een brief van 3 februari 2000 heeft de rechtbank aan verweerder laten weten dat de vragen die de rechtbank in haar heropeningsbeslissing heeft gesteld met verweerders brief van 2 december 1999 niet zijn beantwoord. De rechtbank heeft verweerder nogmaals verzocht deze vragen te beantwoorden. In zijn brief van 20 maart 2000 heeft verweerder de door de rechtbank gestelde vragen beantwoord. Eiser heeft zijn standpunt naar voren gebracht in een brief van 28 april 2000. De behandeling van het beroep van eiser is voortgezet ter zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 14 november 2000. Eiser is aldaar verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. M. Ramsaroep, ambtenaar bij het ministerie van Justitie. Als tolk was aanwezig de heer I. Adam Igeh. II. OVERWEGINGEN Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit van 14 mei 1998 in rechte stand kan houden. Ter onderbouwing van zijn aanvraag om toelating heeft eiser het volgende aangevoerd. Eiser, geboren in 1982, behoort tot de clan Galgale. Zijn vader is Galgale, zijn moeder Hawiye-Abgal. Zijn ouders hadden in Mogadishu een groentewinkel. Zij hebben eiser met een reisagente naar Nederland gestuurd om hier te gaan studeren. Een oudere zus van eiser woont al langere tijd in Nederland. Na zijn vertrek heeft eiser het contact met zijn ouders verloren. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser desgevraagd bevestigd dat niet in geschil is dat verweerder op goede gronden heeft besloten de aanvraag van eiser om toelating als vluchteling niet in te willigen met toepassing van artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Evenmin is in geschil dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar zijn land een reëel risico loopt onderworpen te worden aan folteringen of aan een behandeling of bestraffing als bedoeld in artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Eiser handhaaft evenwel zijn standpunt dat aan hem een vergunning tot verblijf op grond van het beleid inzake alleenstaande minderjarige asielzoekers (AMA-beleid), dan wel een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) had moeten worden verleend. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat aan eiser geen verblijfsrecht toekomt op grond van het AMA-beleid, omdat verweerder ernstig twijfelt aan de gestelde minderjarigheid van eiser, gelet op de leugenachtige verklaringen die eiser in de loop van de procedure heeft afgelegd op essentiële punten van zijn asielrelaas. Voorts heeft verweerder gesteld dat er sprake is van adequate opvang, nu aangenomen moet worden dat de ouders van eiser verblijven op een voor eiser bekend adres in Mogadishu. Eiser kan zich na terugkeer met zijn ouders vestigen in het relatief veilige noorden van Somalië, te weten in het door de Hawiye bewoonde (zuidelijke) deel van de provincie Mudug. Verweerder heeft in het bestreden besluit eveneens geweigerd aan eiser een vvtv te verlenen. Verweerder heeft onder verwijzing naar zijn beleidsbrief van 27 januari 1997, de uitspraken van de Rechtseenheidskamer van 6 maart 1997 (waaronder AWB 96/5144) en een aantal ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken, geoordeeld dat eiser, een Galgale uit Mogadishu, behoort tot de categorie van Zuid-Somaliërs van wie een clanrelatie met één van de Noord-Somalische clans kan worden verondersteld. Verweerder gaat er hierbij vanuit dat de Galgale een clanrelatie heeft met de Hawiye en zich kan vestigen in het door de Hawiye bewoonde (zuidelijke) deel van de provincie Mudug. Eiser heeft in beroep onder meer aangevoerd dat hij in een eerdere fase van de procedure in strijd met de waarheid heeft verklaard dat zijn ouders niet meer in leven waren omdat hem dat dringend was geadviseerd door de reisagente. Gezien zijn jeugdige leeftijd - eiser was naar eigen zeggen veertien jaar oud toen hij Nederland binnenkwam - en omdat hij analfabeet is, kan hem niet worden aangerekend dat hij op enkele punten tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Eiser meent dan ook dat de inconsistenties in zijn verklaringen geen grond kunnen vormen om aan de door hem gestelde leeftijd te twijfelen. Eiser heeft voorts gewezen op zijn jeugdige uiterlijk en gesteld dat verweerder bij twijfel aan de opgegeven leeftijd een leeftijdsonderzoek had moeten instellen. Eiser heeft voorts gesteld geen contact te hebben met zijn ouders en niet van hun verblijfplaats op de hoogte te zijn. Met betrekking tot het door verweerder aan eiser tegengeworpen vestigingsalternatief in het door de Hawiye bewoonde (zuidelijke) deel van de provincie Mudug heeft eiser zich in hoofdzaak op het standpunt gesteld dat van een clanrelatie met de Hawiye geen sprake (meer) is en daarbij gewezen op onder meer het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 11 juni 1998 en landeninformatie van UNHCR REFWORLD van 15 oktober 1998. Na de behandeling ter zitting van 13 augustus 1999 heeft de rechtbank aanleiding gezien het onderzoek te heropenen en aan verweerder een drietal vragen te stellen. De rechtbank leidde uit de twee door eiser overgelegde stukken af dat de Galgale thans kennelijk op de een of andere wijze gelieerd is aan de Majerteen (Darod) en niet langer aan de Hawiye. De rechtbank heeft verweerder verzocht om aan te geven of dit zo ver gaat dat de Galgale in voorkomende gevallen ook de bescherming van de Majerteen kan inroepen, of dat zij door de Majerteen slechts getolereerd wordt. De rechtbank wenste verder een nadere motivering van het door verweerder op de zitting van 13 augustus 1999 ingenomen standpunt, zoals verwoord in een telefoonnotitie van 10 februari 1999, dat de Galgale in heel Somalië de bescherming kan inroepen van de Darod. De rechtbank heeft verweerder tot slot verzocht de rechtbank gemotiveerd aan te geven naar welk gebied in Somalië eiser naar zijn mening veilig zal kunnen terugkeren. Verweerder heeft in reactie op deze heropeningsbeslissing van de rechtbank in zijn brief van 20 maart 2000 kort gezegd het navolgende naar voren gebracht. Uit de telefoonnotitie van 10 februari 1999, wanneer deze in samenhang wordt gelezen met de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 11 juni 1998, blijkt dat verwacht mag worden dat de Majerteen tevens in het noorden van Somalië bescherming zal bieden aan de Galgale. Clanverwantschap is terug te voeren op een verwantschap, al dan niet bestaande uit een bloedband, waarbij steun en bescherming kan worden ingeroepen los van enig territorialiteitsbeginsel. Eiser kan zich vrijelijk vestigen in Puntland in het noord-oosten van Somalië waar de Majerteen woonachtig is. Overigens kan elke Somaliër zich in beginsel vrijelijk vestigen in het relatief veilige deel van Somalië (de tien meest noordelijk gelegen provincies), tenzij sprake is van recente, ernstige conflicten (in het conflictgebied van Somalië) tussen de clan van betrokkene en de heersende clan in het gebied van vestiging. Er zijn geen recente conflicten bekend tussen de Galgale en de Majerteen. De locale autoriteiten in het relatief veilige deel van Somalië blijken in staat te zijn om onafhankelijk van de vraag wat de clanafkomst van de betreffende Somaliër is, effectief bescherming te bieden. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd aangegeven dat deze mogelijkheid van vrije vestiging in de tien noordelijke provincies volgt uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 16 februari 2000. De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, van de Vw kan een vergunning tot verblijf aan de vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij een verdragsrechtelijke bepaling daartoe verplicht, dan wel wanneer met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of klemmende redenen van humanitaire aard tot toelating van de vreemdeling nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc). Als uitwerking van de globale beleidsregel dat op grond van klemmende redenen van humanitaire aard een vergunning tot verblijf kan worden verleend, hanteert verweerder voor een aantal categorieën vreemdelingen specifieke criteria. Het door verweerder gevoerde beleid met betrekking tot alleenstaande minderjarige asielzoekers, het zogenoemde AMA-beleid, is neergelegd in hoofdstuk B7/13 van de Vc. Daarin is onder meer voorgeschreven dat, indien is vastgesteld dat een minderjarige niet in aanmerking komt voor erkenning als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag of voor een vergunning tot verblijf om humanitaire redenen, beoordeeld moet worden of verwijdering van de minderjarige verantwoord is te achten. Daartoe zal in eerste instantie worden getracht de minderjarige met zijn ouders in het buitenland te herenigen. Als dit niet mogelijk is, zal worden getracht adequate opvang in het land van herkomst te vinden. Indien binnen zes maanden na indiening van de aanvraag is komen vast te staan dat er voor de minderjarige in het land van herkomst geen adequate mogelijkheid tot opvang redelijkerwijs is gewaarborgd en deze tevens onder voogdij van een voogdij-instelling is gesteld, wordt de minderjarige in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf, tenzij er sprake is van gevaar voor de openbare orde. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat in de omstandigheid dat eiser tegenstrijdige en onjuiste verklaringen heeft afgelegd - welke verklaringen overigens geen betrekking hadden op zijn leeftijd - in casu onvoldoende grond is gelegen om te twijfelen aan de gestelde minderjarigheid van eiser. Ook als eiser in 1980 is geboren, zoals zijn zuster heeft verklaard, was eiser bij binnenkomst in Nederland minderjarig. De rechtbank deelt daarentegen het oordeel van verweerder dat geen geloof kan worden gehecht aan de stelling van eiser dat hij niet op de hoogte is of kan raken van de verblijfplaats van zijn ouders omdat er geen contacten met hen zijn. De rechtbank heeft daarbij betrokken de omstandigheid dat de zus van eiser, die reeds langere tijd in Nederland verblijft, in elk geval tot de komst van eiser naar Nederland met haar ouders in Mogadishu contact heeft kunnen onderhouden, hetgeen onder meer blijkt uit het feit dat deze zus op de luchthaven Schiphol aanwezig was om eiser af te halen toen hij daar op 17 mei 1996 arriveerde. De rechtbank volgt verweerder niet in het standpunt dat adequate opvang voor eiser beschikbaar is in het land van herkomst, nu niet gebleken is dat de ouders van eiser en de rest van het gezin zich niet samen met eiser zouden kunnen vestigen in het door de Hawiye bewoonde (zuidelijke) deel van de provincie Mudug. De rechtbank verwijst daartoe naar hetgeen hierna wordt overwogen ten aanzien van eisers aanspraak op een vvtv. Het bestreden besluit is dan ook onvoldoende gemotiveerd voor zover eiser daarbij een vergunning tot verblijf op grond van het AMA-beleid is geweigerd. Eisers beroep zal in zoverre gegrond worden verklaard. Ten aanzien van eisers aanspraak op een vvtv overweegt de rechtbank als volgt. Ingevolge het bepaalde in artikel 12b van de Vw kan verweerder een vvtv verlenen aan een vreemdeling die zich in Nederland bevindt en een aanvraag om toelating heeft ingediend, indien naar het oordeel van verweerder gedwongen verwijdering naar het land van herkomst van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar. In zijn brief van 27 januari 1997 aan de voorzitter van de Tweede Kamer heeft verweerder geoordeeld dat de algehele situatie in Somalië niet zodanig is dat gedwongen verwijdering van afgewezen Somalische asielzoekers naar Noord-Somalië van een bijzondere hardheid is, mits deze asielzoekers behoren tot één van de vier categorieën, genoemd in het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 januari 1997, waaronder de categorie (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.