ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ’S-GRAVENHAGE sector bestuursrecht eerste kamer, enkelvoudig Reg. nr. AWB 00/7521 ZW UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Uitspraak in het geding tussen [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, en het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder. Ontstaan en loop van het geding Eiseres, laatstelijk werkzaam als tuinarbeidster, heeft zich op 12 maart 1998 vanuit de Werkloosheidswet (WW) ziekgemeld met psychische problemen. Verweerder heeft haar vervolgens gedurende de maximumtermijn een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Per einde wachttijd (10 maart 1999) werd eiseres ongeschikt geacht voor haar eigen werk doch wel geschikt voor passende functies en werd zij minder dan 15% arbeidsongeschikt geacht, waardoor haar bij besluit van 28 juli 1999 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) werd geweigerd. Op 28 juli 1999 heeft eiseres zich met terugwerkende kracht per 29 april 1999 ziekgemeld vanuit de WW in verband met psychische klachten en ademhalingsklachten. Bij besluit van 9 september 1999 heeft verweerder bepaald dat eiseres met ingang van 9 september 1999 niet langer arbeidsongeschikt wordt geacht en dat de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) met ingang van voornoemde datum zal worden beëindigd. Het tegen dat besluit door eiseres gemaakte bezwaar d.d. 20 september 1999 heeft verweerder bij het (bestreden) besluit van 21 juni 2000 ongegrond verklaard, zij het dat de grondslag voor de weigering om ZW-uitkering toe te kennen gewijzigd is in het oordeel dat geen recht op ZW-uitkering per 29 april 1999 bestaat omdat artikel 29, lid 5, ZW bepaalt dat geen ziekengeld wordt uitgekeerd nadat een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, gerekend vanaf de eerste dag van ongeschiktheid tot werken. Voorts is er volgens verweerder geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid als gevolg van dezelfde klachten, zodat artikel 43a, lid 1, WAO geen toepassing vindt en eiseres met ingang van vier weken na 29 april 1999 een WAO-uitkering moet worden geweigerd. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 5 juli 2000, ingekomen bij de rechtbank op 6 juli 2000 en van gronden voorzien bij brief van 3 augustus 2000, beroep ingesteld. Verweerder heeft op 21 juli 2000 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. Het beroep is op 8 februari 2001 ter zitting behandeld. Eiseres is verschenen bij gemachtigde mr. A. Ekiz, advocaat te Den Haag. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M. Folkers-Hooymans. Motivering De rechtbank staat in dit geding voor de vraag of het thans bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd. Verweerder heeft aan het bestreden besluit, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Het primaire besluit van 9 september 1999 vermeldt dat met ingang van 9 september 1999 geen recht meer bestaat op ziekengeld omdat eiseres niet langer arbeidsongeschikt wordt geacht. Omdat geen ziekengeld over de periode 29 april 1999 tot 9 september 1999 is uitbetaald acht verweerder het gestelde in het primaire besluit achteraf niet juist. Derhalve dient volgens verweerder in dit besluit gelezen te worden dat er ingaande 29 april 1999 geen recht op ziekengeld bestaat omdat artikel 29, lid 5, ZW bepaalt dat geen ziekengeld wordt uitgekeerd nadat een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, te rekenen vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken. Voorts is er volgens verweerder geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid als gevolg van dezelfde klachten, zodat artikel 43a, lid 1, WAO geen toepassing vindt. Namens eiseres is hiertegen in beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Eiseres acht zich niet in staat om te werken wegens ernstige psychische problemen en klachten van benauwdheid, hoofdpijn en spierpijnen. Zij is nog onder behandeling van Parnassia. Zij heeft geen beroep ingesteld tegen de weigering haar een WAO-uitkering toe te kennen omdat zij anafabeet is. Wel heeft zij zich opnieuw op 28 juli 1999 met terugwerkende kracht met ingang van 29 april 1999 ziekgemeld omdat zij zich ziek voelde en niet in staat om te werken. Zij stelt dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd aangezien de bezwaarverzekeringsarts een oordeel over de toename van de klachten van eiseres per 9 september 1999 heeft gegeven en geen oordeel per 29 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.