ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE sector bestuursrecht eerste kamer, meervoudig Reg. nr. AWB 01/647 ZW UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Uitspraak in het geding tussen A, wonende te B, eiser, en het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Gak Nederland B.V.), verweerder. Ontstaan en loop van het geding Op 3 juni 2000\ heeft eiser bij verweerder een uitkering aangevraagd krachtens de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 30 augustus 2000 heeft verweerder beslist dat eiser daarop geen recht heeft. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij besluit van 9 oktober 2000 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Het beroep is op 26 april 2001 ter zitting behandeld. Eiser is verschenen en werd bijgestaan door zijn gemachtigde mr. T.E. van Dijk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Huismans. Motivering Eiser bezit de Turkse nationaliteit. Sinds zijn komst naar Nederland in 1990 heeft hij hier gewerkt met tussenpozen, telkens zonder dat de diverse werkgevers beschikten over een tewerkstellingsvergunning. Eerst op 14 september 1998 heeft eiser een vergunning tot verblijf aangevraagd. Deze aanvraag is in behandeling genomen als een verzoek in het kader van het Tussentijds Bericht Vreemdelingen 1999/23. Op deze aanvraag is nog niet beslist. Eiser mag die beslissing in Nederland afwachten. Eiser heeft eerder een uitkering ontvangen krachtens de Ziektewet. Bij bovengenoemde aanvraag heeft eiser per 3 juli 2000 opnieuw ziekengeld aangevraagd. Met de inwerkingtreding per 1 juli 1998 van de zogeheten Koppelingswet (Wet van 26 maart 1998, Stb. 1998, 204) zijn de aanspraken van in Nederland verblijvende vreemdelingen op verstrekkingen, voorzieningen uitkeringen en dergelijke gewijzigd. Artikel 20 van de ZW bepaalt dat de werknemers in de zin van deze wet zijn verzekerd. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de ZW wordt sinds 1 juli 1998 niet als werknemer in de zin van deze wet beschouwd, de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef, en onder 1, van de Vreemdelingenwet (Vw). Ingevolge artikel 1b, aanhef, en onder 1, van de Vw (oud) genieten vreemdelingen in Nederland rechtmatig verblijf op grond van een besluit tot toelating, alsmede op grond van toelating als gemeenschapsonderdaan, tenzij deze onderdaan verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. In het zesde lid van artikel 3 van de ZW is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur kan worden afgeweken van het derde lid ten aanzien van : a. vreemdelingen die rechtmatig in Nederland arbeid verrichten, dan wel hebben verricht; b. vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf in Nederland te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef, en onder 1, van de Vw, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf hebben aangevraagd, dan wel bezwaar hebben gemaakt of beroep hebben ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of beroep is beslist. Naar aanleiding van het hier bepaalde is het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990 (Bub) bij de inwerkingtreding van de Koppelingswet gewijzigd. Ingevolge artikel 4a (oud, thans vernummerd tot artikel 4c) van het Bub wordt als werknemer in de zin van de werknemersverzekeringen beschouwd de vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef, en onder 2, 3, 4, en 5, van de Vw, indien hij in overeenstemming met de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) arbeid in dienstbetrekking verricht. Ingevolge artikel 1b, aanhef, en onder 3 van de Vw genieten vreemdelingen in Nederland rechtmatig verblijf in afwachting van de beslissing op een aanvraag om toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge deze wet dan wel op grond van een beschikking ingevolge deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven. Artikel 2, eerste lid, van de Wav bepaalt dat het een werkgever verboden is een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. Vast staat en niet in geschil is dat eiser ten tijde van de periode in geding rechtmatig in Nederland verbleef ingevolge artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw. Vast staat verder dat eiser in deze periode heeft gewerkt zonder dat zijn werkgever in het bezit was van een ten behoeve van hem afgegeven tewerkstellingsvergunning. Gelet op de hiervoor weergegeven bepalingen is eiser daarom niet aan te merken als een (verzekeringsplichtige) werknemer in de zin van de Ziektewet en heeft hij op grond daarvan geen recht op een uitkering. Verweerder heeft om die reden beslist dat eiser geen ziekengeld krijgt. Eiser voert hiertegen aan dat hij als verzekerde bij verweerder stond geregistreerd en dat hem eerder wel ziekengeld was toegekend over de periode van 17 december 1998 tot 19 september 1999, hetgeen verweerder niet betwist. Eiser stelt dat verweerder daarom zonder voorafgaande beëindiging van zijn verzekering ingevolge de Ziektewet niet de in geding zijnde uitkering mocht weigeren. De rechtbank overweegt hieromtrent dat verzekeringsplicht ingevolge de werknemersverzekeringen ontstaat en eindigt van rechtswege. Premiebetaling en registratie, alsmede eerdere uitkeringen spelen daarbij geen rol. Eisers verzekeringsplicht wordt dus niet eerst beëindigd na een daartoe strekkende beslissing, maar is afhankelijk van de geldende bepalingen ten tijde van de in de aanvraag genoemde aanvangsdatum van de uitkering. Het feit dat eiser eerder (wellicht ten onrechte) een uitkering heeft ontvangen betekent op zichzelf dus niet dat hij ten tijde van de periode in geding als verzekerde ingevolge de Ziektewet is aan te merken. Eiser voert verder aan dat de weigering hem ziekengeld toe te kennen in strijd is met bepalingen van internationaal recht, in het bijzonder met artikel 8 van het Europees verdrag inzake sociale zekerheidsrechten (EVSZ) en met de Associatieovereenkomst EEG-Turkije in samenhang met het Besluit nr. 3/80. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Tussen de EEG en Turkije is bij overeenkomst van 12 september 1963 een associatie tot stand gebracht (PB 1964, blz. 3685). Ingevolge artikel 6 van de Associatieovereenkomst EEG-Turkije hebben de partijen zich verenigd in een Associatieraad. Ter aanvulling op de Associatieovereenkomst hebben partijen een (aanvullend) Protocol opgesteld (PB L 293, blz. 1). Artikel 39 van het Protocol luidt, voorzover hier van belang: "1. Vóór het einde van het eerste jaar na de inwerkingtreding van dit Protocol stelt de Associatieraad bepalingen vast ter zake van de sociale zekerheid ten behoeve van de werknemers van Turkse nationaliteit die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en ten behoeve van hun binnen de Gemeenschap woonachtige gezinnen. (…)". Op basis van het eerste lid van artikel 39 heeft de Associatieraad op 19 september 1980 Besluit nr. 3/80 vastgesteld (PB C 110, blz. 60), betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen van de Lidstaten der Europese Gemeenschappen op Turkse werknemers en hun gezinsleden. Artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit nr. 3/80 luidt: "Voor toepassing van dit besluit:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.