RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE Zittingsplaats Zwolle Vreemdelingenkamer regnr.: Awb 01/40759 en 01/40765 UITSPRAAK inzake: A, geboren op [...] 1961, B, geboren op [...] 1958, echtelieden, en hun meerderjarige dochter C, geboren op [...] 1980, mede ten behoeve van haar minderjarige kind, allen van Kazachstaanse nationaliteit, IND dossiernummer 0101.23.8082, gemachtigde: mr. C.J. van der Waarde, advocaat te Dordrecht, eisers; tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE (Immigratie- en Naturalisatiedienst), te 's-Gravenhage, verweerder, vertegenwoordigd door mr. ing. M.E. Minkes, ambtenaar ten departemente. 1 Procesverloop 1.1 Op 23 januari 2001 hebben eisers aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij beschikkingen van 15 augustus 2001 heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd. 1.2 Bij beroepschrift van 20 augustus 2001 hebben eisers beroep ingesteld tegen deze beschikkingen. Het beroep is ter zitting van 28 september 2001 behandeld. Ter zitting is het onderzoek met instemming van partijen geschorst, omdat de tolk in de Russische taal eisers daags voor de zitting had afgebeld. Het beroep is vervolgens behandeld ter zitting van 3 oktober 2001. Eisers zijn daarbij verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. 2 Toetsingskader 2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikkingen toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kunnen doorstaan. Daarbij zullen worden betrokken – voor zover aanwezig – de door verweerder ingebrachte feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 83, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) alsmede het standpunt van verweerder ter zake van de vraag of andere na de beschikkingen opgekomen feiten en omstandigheden aanleiding zijn voor handhaving, wijziging of intrekking van deze besluiten. 3 Standpunten 3.1 Verweerder heeft de aanvragen niet ingewilligd omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvragen. Eisers zijn Nederland met een Duits Schengenvisum ingereisd. De overdracht van eisers aan Duitsland is niet in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Duitsland zal pas tot verwijdering naar Kazachstan overgaan nadat is vastgesteld dat dit geen schending van artikel 3 EVRM oplevert. 3.2 Eisers stellen zich op het standpunt dat overdracht aan Duitsland in strijd is met artikel 3 EVRM. Omdat eisers, blijkens inreisstempels welke de Poolse autoriteiten in hun paspoorten hebben geplaatst, Duitsland via Polen zijn ingereisd, dient er rekening mee te worden gehouden dat eisers met toepassing van de 'Sichere Drittstaatenregelung' naar Polen zullen worden verwijderd, zonder dat hun asielaanvragen inhoudelijk door Duitsland zijn behandeld. Niet uit te sluiten valt dat eisers op deze wijze "doorverwijderd" zullen worden naar hun land van herkomst. 4 Overwegingen 4.1 Een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 wordt afgewezen indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag (artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a Vw2000). 4.2 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat eisers, zonder inhoudelijke beoordeling van hun asielrelaas door Duitsland, met toepassing van de 'Sichere Drittstaatenregelung' door Duitsland aan Polen zullen worden overgedragen. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gemotiveerd dat de 'Sichere Drittstaatenregelung' niet op eisers van toepassing is. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Paragraaf 26a, eerste lid, van het (Duitse) Asylverfahrensgesetz, waarin de 'Sichere Drittstaatenregelung' is neergelegd, bepaalt het volgende:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.