RECHTBANK 's-GRAVENHAGE sector civiel recht - voorzieningenrechter Vonnis in kort geding van 3 mei 2002, gewezen in de zaak met rolnummer KG 02/389 van:
(130), de omstandigheid dat rond april 2002 de budgetten voor 2002 worden vastgesteld en de omstandigheid dat zij zelf niet over reserves beschikken om de extra kosten op te vangen, een spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voorzover nodig, zal worden besproken.
- De beoordeling van het geschil 3.
- De burgerlijke rechter - in dit geval die in kort geding - is bevoegd tot kennisneming van de vorderingen van eiseressen, nu daaraan de stelling ten grondslag wordt gelegd dat gedaagde jegens hen onrechtmatig handelt. Eiseressen zijn in hun vorderingen ook ontvankelijk. Zij richten zich immers niet tegen een besluit van gedaagde (de minister van VWS) waartegen een andere, met voldoende waarborgen omgeven, rechtsgang openstaat. In het bijzonder is geen sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. 3.
- Bij hun vorderingen hebben eiseressen een voldoende spoedeisend belang. Zij verlangen maatregelen die tot gevolg hebben dat de verschillen in honorering tussen de psychiaters in de GGZ-instellingen enerzijds en de medisch specialisten (onder wie psychiaters) in de algemene en categorale ziekenhuizen anderzijds worden opgeheven. Het is aannemelijk dat dergelijke verschillen een (direct voelbare) negatieve invloed hebben op de aantrekkingskracht van hun instellingen voor psychiaters. Dit is te ernstiger nu eiseressen aannemelijk hebben gemaakt dat er al vele onvervulbare vacatures voor psychiaters in de GGZ-instellingen bestaan. 3.
- Eiseressen beroepen zich voor hun vorderingen niet op enige toezegging van de minister om ook ter zake van de honorering van de psychiaters in de GGZ-instellingen extra financiële middelen ter beschikking te stellen. Evenmin stellen zij dat de minister op enig moment dienaangaande verwachtingen heeft gewekt waarvan zij thans niet kan terugkomen. De centrale stelling van eiseressen is dat de minister gelijke gevallen gelijk moet behandelen; volgens hen doet zij dat in dit geval niet en handelt zij daardoor onrechtmatig. De overige grondslagen van de vorderingen - strijd met het evenredigheidsbeginsel en met de systematiek van de Wtg - hangen hiermee in de kern samen en komen, voorzover dit anders is, hierna afzonderlijk aan de orde. 3.
- Er zijn ten minste drie redenen om deze - aldus opgebouwde - vorderingen in dit kort geding terughoudend te beoordelen. De eerste reden betreft de context waarbinnen de verstrekking van de (begrotings)middelen waarover het hier gaat plaatsvindt. Eiseressen hebben met hun vorderingen de politieke besluitvorming over de Voorjaarsnota 2002 afgewacht. Daarin heeft het kabinet nadere afwegingen gemaakt voor de publieke uitgaven mede voor de volksgezondheid. Die afwegingen zijn onderwerp van politieke controle. De burgerlijke rechter past terughoudendheid bij het nemen van beslissingen die deze afweging en controle kunnen doorkruisen. De tweede reden voor terughoudendheid schuilt in het karakter van de vordering onder B. Voor de positie van eiseressen is toewijzing van dit onderdeel essentieel; gegeven het systeem van de Wtg vergt de door hen gewenste structurele wijziging in het niveau van honorering van psychiaters in dienst van de GGZ-instellingen een verandering in de beleidsregels ingevolge de Wtg. De vordering onder B heeft een algemeen en naar haar aard definitief karakter, ook al kan een eenmaal vastgestelde beleidsregel later weer worden gewijzigd. Een dergelijke voorziening is in kort geding niet volstrekt onmogelijk, maar vereist een terughoudende opstelling van de rechter. Temeer is dit het geval nu artikel 13 Wtg een zekere mate van beleidsvrijheid aan de minister van VWS laat en een vastgestelde beleidsregel, alvorens van kracht te worden, nog aan de zogeheten voorhangprocedure is onderworpen; een voorgenomen beleidsregel moet aan de Staten-Generaal worden voorgelegd. Ook overigens vorderen eiseressen een verregaande voorziening, waarvan - indien een desbetreffende uitspraak in dit kort geding later wordt vernietigd of terzijde wordt gesteld - de gevolgen niet of heel moeilijk ongedaan zijn te maken. Ook dit gegeven noopt tot terughoudendheid. 3.
- De eis van terughoudendheid betekent niet dat toewijzing van vorderingen als die van eiseressen in kort geding onmogelijk zijn. Voor honorering is echter wel vereist dat gedaagde (de minister) onmiskenbaar onrechtmatig heeft gehandeld. In dit geval betekent dit dat buiten redelijke twijfel moet staan dat het niet beschikbaar stellen van aanvullende financiële middelen voor de toepassing van de AMS ook in de GGZ een schending oplevert van het algemene beginsel van behoorlijk bestuur dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld, dan wel dat het evenredigheidsbeginsel of voorschriften van de Wtg evident zijn geschonden. 3.
- Aan deze eis is in dit kort geding niet voldaan. Hoewel "uitwisselbaarheid" tussen psychiaters in dienst van GGZ-instellingen enerzijds en van algemene of categorale ziekenhuizen anderzijds aannemelijk is - in deze zin dat voor veel (zittende én aankomende) psychiaters een reële keuze bestaat tussen een dienstverband in de ene of de andere categorie -, kunnen deze beroepsbeoefenaren vanuit het thans aan de orde zijnde perspectief niet zonder meer aan elkaar worden gelijkgesteld. Tussen partijen is niet in geschil dat de oprichting van eiseres sub 1 in 1997 mede als achtergrond had dat de sector van de geestelijke gezondheidszorg op eigen wijze zijn belangen wilde behartigen. In de lijn hiervan zijn er afzonderlijke cao's voor de GGZ-instellingen en voor de algemene en categorale ziekenhuizen, elk met een afzonderlijk "loongebouw". Hierbij is ook van belang dat aan de algemene en categorale ziekenhuizen zowel medisch specialisten in loondienst als vrijgevestigde medisch specialisten zijn verbonden, hetgeen - naar vaststaat - bij de GGZ-instellingen niet het geval is. Deze verschillen, tezamen en in onderling verband bezien, wettigen de conclusie dat er, binnen de hier besproken context, geen sprake is van een onmiskenbare gelijkheid tussen beide categorieën psychiaters. Daarbij blijft nog onbesproken dat de minister, naar tussen partijen vaststaat, bij de beschikbaarstelling van het bedrag van ƒ 44 miljoen (circa € 20 miljoen) de kanttekening heeft gemaakt dat zij daarmee geen uitspraak deed over de absolute hoogte van het inkomen van de specialist in loondienst. 3.
- Evidente strijd met het evenredigheidsbeginsel is er evenmin. Niet is aannemelijk geworden dat de (stellig aanwezige) negatieve gevolgen van het achterblijven van het salarisniveau van de psychiaters in de GGZ-instellingen bij dat van hun collega's in loondienst bij de algemene en categorale ziekenhuizen, in een kennelijke wanverhouding staan tot de doelen die de minister heeft gediend met haar besluit om de wensen van eiseres sub 1 niet te honoreren (en op macroniveau beschikbaar gekomen aanvullende middelen te bestemmen voor andere doelen binnen haar beleidsterrein). Eiseressen hebben hiertoe onvoldoende gesteld. Bovendien is van belang dat elke voor een bepaalde groep totstandgekomen salarismaatregel - preciezer gezegd: elke bijdrage om op cao-niveau afgesproken salarisstijgingen financieel mogelijk te maken - een uitstraling kan hebben naar andere groepen; zo is het ook gegaan in de keten van opeenvolgende maatregelen waarvan de beschikbaarstelling van ƒ 44 miljoen in verband met de opneming van de AMS in de CAO Ziekenhuizen 2001-2002 voorlopig de laatste was. 3.
- De (systematiek van de) Wtg vereist niet - en zeker niet buiten redelijke twijfel - dat in de tariefstelling ruimte wordt gevonden voor gelijkstelling van de hier genoemde categorieën psychiaters in loondienst. 3.
- Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen moeten worden afgewezen. 3.
- Eiseressen zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.
- De beslissing De voorzieningenrechter: Wijst de vorderingen af. Veroordeelt eiseressen in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 896,--, waarvan € 193,-- aan griffierecht. Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en uitgesproken ter openbare zitting van 3 mei 2002 in tegenwoordigheid van de griffier. JB