RECHTBANK DEN HAAG zittinghoudende te Utrecht Reg.nrs.: AWB 99/10756, 99/10759, 00/2860 en 2864 VRWET A Uitspraak: 25 februari 2002 UITSPRAAK van de meervoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken, inzake de beroepen van: A, geboren op [...] 1958, en dienst echtgenote B, geboren op [...] 1971, mede ten behoeve van de minderjarige kinderen C en D, allen verblijvende te E en van Angolese nationaliteit, eisers, gemachtigde: mr. B.M. Beg, advocaat te Amsterdam, tegen de besluiten van de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde: mr. J. van Koesveld, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag. 1. VERLOOP VAN DE PROCEDURES Eisers hebben op 24 februari 1994 aanvragen om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard gedaan. Bij afzonderlijke beschikkingen van 4 december 1995 heeft verweerder de aanvraag om toelating als vluchteling afgewezen wegens de kennelijke ongegrondheid daarvan. Tevens heeft verweerder de aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf niet ingewilligd. Op 19 december 1995 hebben eisers tegen de beschikkingen bezwaar gemaakt bij verweerder. Op diezelfde datum hebben eisers een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de president van deze rechtbank. Bij uitspraak van 5 juni 1996 (AWB 95/11847 en 12061) van de president van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Bij afzonderlijke beschikkingen van 5 juli 1996 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eisers hebben hiertegen op 18 juli 1996 een beroepschrift ingediend bij deze rechtbank. Op diezelfde datum hebben eisers een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de president van deze rechtbank. Bij uitspraak van 19 november 1996 (AWB 96/6894 en 6896) van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, is het beroep ongegrond verklaard. Vervolgens is bij uitspraak van 21 november 1996 (AWB 96/6891 en 6895) van de president van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Op 18 augustus 1998 hebben eisers andermaal verzocht om verlening van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Eisers hebben vervolgens op 30 november 1998 een administratief beroepschrift ingediend tegen de mededeling van de korpschef van de regiopolitie Amsterdam dat geen inhoudelijke beoordeling zal plaatsvinden van de door eisers aangevoerde asielgerelateerde gronden. Op 4 maart 1999 hebben eisers bij deze rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het administratief beroepschrift. Bij uitspraak van 3 september 1999 (AWB 99/2348) van deze rechtbank is het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Op 20 september 1999 hebben eisers andermaal bij deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het administratief beroepschrift. Het beroep is ter griffie geregistreerd onder nummers AWB 99/10756 en 10759 (casusnummer 3241). Bij afzonderlijke beschikkingen van 22 december 1999 heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd en het administratief beroepschrift niet-ontvankelijk verklaard. Bij ongedateerde brief, ter griffie binnengekomen per telefax op 19 januari 2000, hebben eisers de rechtbank verzocht het beroepschrift van 20 september 1999 op te vatten als beroep tegen de niet-ontvankelijk verklaring van het administratief beroepschrift. Tegen de niet-inwilliging van de aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf hebben eisers bij bezwaarschrift van 19 januari 2000 bezwaar gemaakt. Bij afzonderlijke beschikkingen van 12 april 2000 heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Eisers hebben daartegen op 19 april 2000 bij de rechtbank beroep ingesteld. Het beroep is ter griffie geregistreerd onder nummers AWB 00/2860 en 2864 (casusnummer 2077). Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de beroepen. De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2001. Ter zitting hebben eisers en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. 2. OVERWEGINGEN In deze gedingen dient te worden beoordeeld of de niet-ontvankelijk verklaring van het administratieve beroep en de ongegrondverklaring van het bezwaar in rechte stand kunnen houden. Daartoe moet worden bezien of deze beslissingen de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kunnen doorstaan. Met ingang van 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) in werking getreden en de Vreemdelingenwet 1965 (hierna: Vw (oud)) ingetrokken. De bestreden besluiten dienen te worden getoetst aan de bepalingen van de Vw (oud), aangezien deze besluiten dateren van voor 1 april 2001. Bij uitspraak van 19 november 1996 (AWB 96/6894 en 6896), voornoemd, van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, is in rechte onaantastbaar komen vast te staan dat eisers geen vluchteling zijn in de zin van het Vluchtelingenverdrag, respectievelijk artikel 15 Vw (oud) en dat zij evenmin aanspraak kunnen maken op een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Eisers leggen aan de aanvraag van 18 augustus 1998 ten grondslag dat zij in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Eisers doen een beroep op het traumata-beleid, zoals neergelegd in IND-werkinstructie nr. 31 van 7 november 1995. Zij hebben daartoe bij de aanvraag een psychologisch rapport van 10 juli 1998 van R.W. Jesserun overgelegd en bij brief van 23 februari 1999 een ongedateerd verslag van een op 17 december 1998 uitgevoerd psychodidactisch onderzoek van A.M. Raue-Jonkman ten aanzien van C. Verweerder stelt zich op het standpunt dat -anders dan eisers hebben aangevoerd in administratief beroep- de doorverwijzing en de mededeling van de korpschef dat geen beslissing zal worden genomen ten aanzien van de aangevoerde asielgerelateerde gronden niet kan worden aangemerkt als handelen met een zeker relevant rechtsgevolg, zodat daartegen geen rechtsmiddel open stond. Verweerder stelt zich, onder verwijzing naar de op 1 juli 1998 in werking getreden Leemtewet, voorts op het standpunt dat een aanvraag op asielgerelateerde gronden uitsluitend door middel van een aanvraag om toelating als vluchteling in het aanmeldcentrum kan worden ingediend. Verweerder houdt met betrekking tot reguliere aspecten van de aanvraag onverkort vast aan het paspoortvereiste, nu uit de door eisers overgelegde medische stukken niet blijkt dat van eisers niet gevergd kan worden dat zij zich wenden tot de Angolese autoriteiten. Verweerder is evenmin gebleken dat eisers bij terugkeer naar het land van herkomst in een zodanig schrijnende of onaanvaardbare situatie zullen dat wegens klemmende redenen van humanitaire aard in het verblijf van eisers moet worden berust. Eisers stellen zich op het standpunt dat zij ten onrechte door de korpschef zijn verwezen naar een aanmeldcentrum. Zij hebben daartoe aangevoerd dat slechts in beleid van verweerder is neergelegd dat voor een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard in het aanmeldcentrum een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend moet worden. Volgens eisers blijkt dit niet uit (het uit de Leemtewet voortvloeiende) artikel 15a Vw (oud) en blijkt uit de (oude) Vreemdelingenwet evenmin dat een aanvraag om een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard niet langer mogelijk is. Voorts is het beleid innerlijk tegenstrijdig en ondoelmatig. Bovendien is de TBV in strijd met de vreemdelingenwet nu eisers in feite een herhaalde aanvraag als vluchteling moeten indienen terwijl het hun in deze procedure niet om een vluchtelingenstatus te doen is. Eisers stellen voorts dat verweerders handelwijze in strijd is met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) en de conclusion 30 van the executive committee of the UNHCR. Volgens eisers heeft verweerder de onderhavige aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard ten onrechte aangemerkt als een aanvraag om een vergunning tot verblijf voor medische behandeling hier te lande. Ook de vraagstelling aan de medisch adviseur is ten onrechte in dat kader geplaatst. Gelet daarop, alsmede gelet op (telefonische) uitlatingen van een medewerker van de IND, twijfelen eisers aan de goede trouw van verweerder. Anders dan verweerder, menen eisers dat van hen niet verlangd kan worden dat zij zich wenden tot de Angolese autoriteiten voor afgifte van een paspoort. Bovendien volgt uit de eerdere bewaringsprocedure, waarbij eiser zonder succes is gepresenteerd bij de Angolese autoriteiten, dat de Angolese autoriteiten geen paspoort zullen verstrekken. Eisers hebben daarnaast aangevoerd dat het paspoortvereiste niet zou worden tegengeworpen als zij in het aanmeldcentrum een aanvraag zouden hebben ingediend. Bij brief van 1 september 2000 hebben eisers een aanvullende medische rapportage van 30 augustus 2000 van R.W. Jessurun overgelegd. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw (oud) kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voerde bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiend uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc 1994). 2.1 Het beroep (AWB 99/10756 en 10759) gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het administratief beroepschrift. Bij beroepschrift van 20 september 1999 hebben eisers beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op hun administratief beroepschrift van 30 november 1998. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij besluit van 22 december 1999 -onder meer-alsnog een reële beslissing op het administratief beroepschrift van eisers heeft genomen, zodat het belang aan het beroepschrift van 20 september 1999, voornoemd, is komen te ontvallen. Ingevolge artikel 6:20, vierde lid, Awb wordt genoemd beroep geacht mede te zijn gericht tegen het besluit, dat alsnog door verweerder is genomen. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat het beroep van 20 september 1999 zich thans richt tegen het besluit van 22 december 1999, waarbij het administratief beroepschrift van eisers niet-ontvankelijk is verklaard. Ingevolge artikel 1:3 van de Awb wordt -voor zover hier van belang- onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling en onder een beschikking: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan. Ingevolge artikel 1a Vw (oud) wordt voor toepassing van de (oude) Vreemdelingenwet -voor zover hier van belang- met een beschikking gelijkgesteld een andere handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van de vreemdeling als zodanig. Ingevolge artikel 7:1 van de Awb in samenhang met artikel 8:1 van de Awb staat -voor zover hier van belang- bezwaar en beroep slechts open tegen besluiten. De rechtbank stelt vast dat, zoals partijen erkennen, plaatsing door de korpschef van een sticker op de reguliere aanvraag van eisers (model
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.