RECHTBANK te 's-GRAVENHAGE nevenzittingsplaats Zwolle sector vreemdelingenrecht regnr.: Awb 01/42703 UITSPRAAK inzake: A, geboren op [...] 1959, van Syrische nationaliteit, IND dossiernummer 9509.21.8021, gemachtigde: mr. N. Wittich-Schmidt, advocaat te Goor, eiseres; tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE (Immigratie- en Naturalisatiedienst), te 's-Gravenhage, gemachtigde: mr. A. van Blankenstein, advocaat te 's-Gravenhage, verweerder. 1 Procesverloop 1.1 Op 21 september 1995 heeft eiseres aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf. Bij beschikking van 20 december 1995, uitgereikt op 25 januari 1996, heeft verweerder beslist de aanvragen niet in te willigen. Bij brief van 5 februari 1996 is daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaar bij beschikking van 11 september 1998 ongegrond verklaard. Bij brief van 13 oktober 1998 is daartegen beroep ingesteld. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, d.d. 15 juni 2001, Awb 98/5319 is het beroep gegrond verklaard. 1.2 Bij brief van 18 juni 2001 heeft eiseres naar aanleiding van voornoemde uitspraak verzocht in het bezit te worden gesteld van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid onder c van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Voorts is eiseres van mening dat haar echtgenoot en kinderen in het bezit dienen te worden gesteld van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid onder f Vw 2000. 1.3 Bij beschikking van 2 augustus 2001 is het bezwaar andermaal ongegrond verklaard maar is eiseres wel in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking 'tijdsverloop in de asielprocedure', met ingang van 21 september 1998, geldig tot 21 september 2003. Bij brief van 29 augustus 2001 is daartegen beroep ingesteld. 1.4 Het beroep is ter zitting van woensdag 26 juni 2002 behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. 2 Toetsingskader 2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. 2.2 Op 1 april 2001 is de Vw 2000 in werking getreden en is de Vreemdelingenwet (Vw) ingetrokken. Nu het bestreden besluit dateert van na 1 april 2001, is op de beoordeling daarvan het thans geldende recht van toepassing. 3 Standpunten 3.1 Eiseres stelt zich gemotiveerd op het standpunt dat zij in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid onder c Vw 2000 (voorheen een vergunning tot verblijf op grond van redenen van humanitaire aard). Eiseres meent daarnaast dat zij reeds voor 1 april 2001 een vergunning tot verblijf zonder beperking had moeten verkrijgen nu zij op 21 september 1998 aan de voorwaarden voldeed voor een vergunning op grond van het driejarenbeleid, zoals neergelegd in paragraaf A/6.22.2. Vc 1994. Deze vergunning zou dan op grond van artikel 115, eerste lid aanhef juncto artikel 115, vierde lid Vw 2000 van rechtswege worden omgezet naar een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. 3.2 In de bestreden beschikking heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, Vw 2000 nu de verkrachting in de privé-sfeer heeft plaatsgevonden. Het traumatabeleid, zoals neergelegd in paragraaf C1 deel 4 onder 4 Vc 2000, is alleen van toepassing indien de traumatische ervaringen zijn veroorzaakt van overheidswege, door politieke of militante groeperingen die de feitelijke macht uitoefenen in het land van herkomst of een deel daarvan of groeperingen waartegen de overheid niet in staat of niet willens is bescherming te bieden. In het verweerschrift stelt verweerder dat eiseres, gelet op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 15 juni 2001, Awb 98/5319 terecht niet in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, Vw 2000. Derhalve zou eiseres uitsluitend nog in aanmerking kunnen komen voor een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, hetzij onder de beperking "medische behandeling", hetzij onder de beperking "klemmende redenen van humanitaire aard". Nu een dergelijke verblijfsvergunning, net als de verblijfsvergunning op grond van tijdsverloop, een verblijfsvergunning is in de zin van artikel 14 Vw 2000, kan eiseres derhalve geen sterkere titel verkrijgen dan zij al heeft. Nu eiseres ook overigens niet heeft aangegeven waarin haar belang om voort te procederen is gelegen, is verweerder van mening dat zij geen belang heeft bij de onderhavige beroepsprocedure. Het beroep op de eerbiedigende werking, op grond waarvan haar een vergunning tot verblijf zonder beperking (zoals deze voor 1 april 2001 bestond) had moeten worden gegeven, kan niet slagen. Hiervoor verwijst verweerder naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 5 maart 2002, JV 2002/127. 3.3 De rechtbank oordeelt als volgt. In zoverre het beroep zich richt tegen de beslissing eiseres op grond van tijdsverloop een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in plaats van voor onbepaalde tijd te verlenen, dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat het bestreden besluit in zoverre als een primair besluit dient te worden aangemerkt. Tegen een dergelijk besluit dient alvorens beroep kan worden ingesteld eerst bezwaar te worden gemaakt, en de rechtbank zal het beroepschrift in zoverre dan ook op de voet van artikel 6:15 Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan verweerder doorzenden. 3.4 In geschil is vervolgens of verweerders beslissing eiseres geen verblijfsvergunning asiel voor (on)bepaalde tijd te verlenen toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. 3.5 In de uitspraak van 15 juni 2001, waarbij is getoetst aan de Vw 1965, is overwogen dat eiseres niet aangemerkt kan worden als vluchteling aangezien er geen sprake is van gegronde vrees voor vervolging. 3.6 Tevens is overwogen dat op grond van artikel 11, vijfde lid, Vw 1965 een vergunning tot verblijf verleend kon worden -onder meer- indien sprake was van klemmende redenen van humanitaire aard. In dat kader voerde verweerder een "traumatabeleid", dat was neergelegd in werkinstructie 31. De rechtbank heeft overwogen dat het door verweerder gevoerde traumatabeleid in werkinstructie 31 niet in de weg staat aan het in aanmerking nemen van een opgelopen trauma in het kader van de beoordeling van de vraag of sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard die eiseres aanspraak geven op verlening van een vergunning tot verblijf. Ook is overwogen dat het niet zo kan zijn dat de in werkinstructie 31 opgenomen opsomming van traumatische ervaringen die aanleiding kunnen geven tot verlening van een vergunning tot verblijf op grond van het traumatabeleid een zodanige beperking oplevert dat een trauma ontstaan door verkrachting die niet binnen de opsomming valt nimmer kan leiden tot het verlenen van een verblijfsvergunning. De rechtbank is in genoemde uitspraak op grond van een aantal omstandigheden tot de conclusie gekomen dat van eiseres niet kan worden verlangd dat zij naar Syrië terugkeert. 3.7 Ingevolge artikel 14, tweede lid, Vw 2000 kan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. De beperking klemmende redenen van humanitaire aard is niet één van de beperkingen als genoemd in artikel 3.4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), waarin vermeld wordt onder welke beperkingen de reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 14, tweede lid, van de Wet kan worden verleend. 3.8 In artikel 29, eerste lid, onder c, Vw 2000, is bepaald dat een verblijfsvergunning asiel kan worden verleend aan de vreemdeling van wie naar het oordeel van de Minister van Justitie op grond van klemmende redenen van humanitaire aard, die verband houden met de redenen van het vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst. Blijkens paragraaf C1/4.1 in de Vreemdelingen-circulaire 2000 (Vc 2000) is hierbij in de eerste plaats gedacht aan de vreemdeling die getraumatiseerd is. Uit de parlementaire geschiedenis (TK 1999-2000, 26732, nrs. 3 en 7) blijkt dat met de (b
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.