RECHTBANK DEN HAAG zittinghoudende te Utrecht Reg.nr.: AWB 01/64652 OVERIN UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken, inzake het beroep van: A, geboren op [...] 1973, van Liberiaanse nationaliteit, eiser, gemachtigde: mr. H.L. Swarts, jurist werkzaam bij Stichting Rechtsbijstand Asiel, tegen een besluit van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde: mr. M.A.M. Jansen, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag. 1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE Bij beslissing van 29 november 2001 heeft verweerder de herhaalde aanvraag van eiser van 9 november 2001 tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel niet ingewilligd. Eiser heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld. Verweerder heeft bepaald dat uitzetting gedurende de periode dat het beroep aanhangig is, niet achterwege zal blijven. Eiser heeft de rechtbank verzocht bij wijze van voorlopige voorziening over te gaan tot schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten, totdat op het beroep is beslist. Bij uitspraak van 27 december 2001 heeft de president van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Deze uitspraak is geregistreerd onder Awb 01/64650. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 25 februari 2003. Ter zitting hebben eiser en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. 2. OVERWEGINGEN In dit geding dient te worden beoordeeld of de bestreden beslissing in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of deze beslissing de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. Ingevolge artikel 83 Vw houdt de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd. Eiser legt aan de herhaalde aanvraag het volgende ten grondslag. Blijkens een brief van Amnesty International van 21 september 2001 is er sprake van een oplaaiende strijd in Lofa County sinds juli 2000. Deze oplaaiende strijd leidt tot onveiligheid en instabiliteit in heel Liberia. Als gevolg hiervan lijkt Monrovia niet langer veilig te zijn. In voormelde brief staat voorts dat als gevolg van de toegenomen instabiliteit en onveiligheid Mandingo’s en Krahn het risico lopen slachtoffer te worden van mensenrechtenschending. Dit is tevens van toepassing op personen die tijdens de burgeroorlog behoorden tot de ULIMO-J of ULIMO-K. Eiser is gelet op het voorgaande van mening dat hij een extra risico loopt om slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen aangezien hij behoort tot de Mandingo en betrokken is geweest bij de ULIMO-K. Verweerder heeft de bestreden beslissing, voor zover hier van belang en samengevat, doen steunen op de volgende overwegingen. Verweerder is van mening dat geen sprake is van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 Awb. Eiser heeft zich weliswaar beroepen op een brief van Amnesty International van 21 september 2001, echter deze brief spreekt over de situatie in Lofa County. Eiser is afkomstig uit Monrovia en naar het oordeel van verweerder behoort Monrovia nog steeds tot het relatief veilige gebied. Voorts is uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 12 maart 2001 gebleken dat in de verslagperiode van november 1999 tot en met december 2001 in het relatief veilige gebied geen aanwijzingen zijn gevonden van gerichte schendingen van mensenrechten van bepaalde etnische groepen. Nu eiser sedert 4 maart 1997 in Nederland verblijft heeft verweerder het niet aannemelijk geacht dat er van de zijde van de Liberiaanse autoriteiten jegens verzoeker nog een bijzondere belangstelling zou bestaan. Eiser bestrijdt dit besluit en voert daartegen aan verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat sinds juli 2000 sprake is van een oplaaiende strijd in Liberia, die gevolgen heeft voor de positie van Mandingo’s, Krahn en leden van de ULIMO-J en ULIMO-K. Als gevolg hiervan dient eiser wel in aanmerking te komen voor toelating als vluchteling dan wel op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. Dit klemt te meer nu TBV 2002/47 zegt dat, gelet op de huidige instabiele veiligheidssituatie en slechtere mensenrechtensituatie in Liberia, een persoon die tot de Mandingo behoort reeds in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd, indien slechts in geringe mate blijkt van op de persoon gerichte daden van verdragsrechtelijke vervolging of van een reëel en persoonlijk risico om bij uitzetting te worden onderworpen aan folteringen of andere onmenselijke behandelingen, welke verband houden met de etnische afkomst. Eiser is gelet op het voorgaande van mening dat wel sprake is van een nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 Awb. Voorts heeft eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen beleid van categoriale bescherming voert ten aanzien van uit Liberia afkomstige asielzoekers nu Monrovia niet langer gezien kan worden als relatief veilig gebied. Ter ondersteuning van deze stelling heeft eiser zich, naast eerder genoemde brief van Amnesty International, op de navolgende bronnen beroepen: een rapport van het US Department of Justice van 16 oktober 2001; een brief van Amnesty International van 21 mei 2002; een brief van Amnesty International van 25 januari 2002; een schrijven van Amnesty International van 9 april 2002; het rapport van Human Rights Watch van mei 2002; een schrijven van de UNHCR van 1 mei 2002; een aantal persberichten vanuit de Engelse media; een brief van Amnesty International van 27 januari 2003; het Human Rights Watch world report 2003; artikel uit NRC van 5 februari 2003; uitspraak van de rechtbank Assen van 27 maart 2002 (Awb 02/19220); uitspraak van de voorzieningenrechter rechtbank Haarlem van 20 november 2002 (Awb 02/86495) uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 augustus 2002 (Awb 01/35590) en een uitspraak van de voorzieningen rechter van de rechtbank Arnhem van 26 maart 2002 (Awb 01/4220). Ingevolge artikel 13 van de Vreemdelingenwet (Vw) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd, indien –voorzover hier van belang– internationale verplichtingen dan wel klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw kan aan de vreemdeling die verdragsvluchteling is een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend. Op grond van artikel 1(A) van het Verdrag van Genève is van vluchtelingschap sprake in geval de vreemdeling afkomstig is uit een land waar hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn godsdienstige of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend aan de vreemdeling voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar. De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge het bepaalde in artikel 4:6 Awb is, indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking. Blijkens de Memorie van Toelichting bij artikel 4:6 Awb dient een belanghebbende die buiten het geval van bezwaar en beroep wenst dat een bestuursorgaan terugkomt van een onherroepelijke beslissing en daarvoor een nieuwe aanvraag indient, nieuwe feiten en omstandigheden aan te dragen die (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.