RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE sector bestuursrecht vreemdelingenkamer, meervoudig nevenzittingsplaats Rotterdam UITSPRAAK Reg.nr. : 02/
(200106237)gaat het hier niet om een onderscheid ten gevolge van het verschil in systematiek tussen de Vw 1965 en de Vw 2000, welk verschil van rechtswege is ontstaan, maar om het op willekeurige wijze verloren gaan van (mogelijkerwijs) zeer sterke aanspraken. 4.6 Gelet op het bovenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte niet beoordeeld of eiseres op grond van het bepaalde in werkinstructie 224 in aanmerking zou zijn gekomen voor een vergunning tot verblijf, althans verweerder heeft zijn besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Het ter zitting van 7 november 2002 naar voren gebrachte standpunt van verweerder dat eiseres niet in aanmerking komt voor bescherming op grond van werkinstructie 224 reeds omdat zij is gehuwd en met haar echtgenoot in Jemen heeft gewoond, acht de rechtbank daartoe niet toereikend. Daartoe wordt overwogen dat met paragraaf 2.1.3 van werkinstructie 224 kennelijk is beoogd bescherming te bieden aan vrouwen behorend tot de Reer Hamar of Reer Brava die bij terugkeer naar Somalië de facto alleenstaand zullen zijn. Of bescherming daadwerkelijk is aangewezen is afhankelijk van de individuele feitelijke omstandigheden van het geval. De omstandigheid dat de betreffende vreemdelinge de jure nog gehuwd is, kan, gelet op de ratio van werkinstructie 224, naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf niet doorslaggevend zijn. Uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 30 maart 2001, AWB 99/11954 (ter informatie aangehecht), maakt de rechtbank op dat ook verweerder zelf een dergelijke uitleg aan paragraaf 2.1.3 van werkinstructie 224 heeft gegeven. Net als de vreemdelinge in de zaak die tot genoemde uitspraak heeft geleid, kan eiseres worden aangemerkt als een de facto gescheiden vrouw. Eiseres heeft sinds haar komst naar Nederland geen contact gehad met haar echtgenoot en heeft ook via via geen informatie over hem kunnen verkrijgen. Derhalve acht de rechtbank een individuele toets of een reëel vestigingsalternatief in het relatief veilige deel van Somalië voor eiseres voorhanden is geëigend. Blijkens het bepaalde in werkinstructie 224 is daarbij van belang of eiseres al dan niet naaste familieleden heeft wonen in het relatief veilige deel van Somalië en of eiseres zich al dan niet gedurende een aantal maanden alleen heeft weten staande te houden in het relatief veilige deel van Somalië. Verweerder heeft zich dienaangaande ten onrechte geen oordeel gevormd.
- Gelet op het bovenstaande ontbeert het bestreden besluit in strijd met het bepaald in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) een voldoende draagkrachtige motivering. Het beroep is derhalve gegrond.
- Nu het beroep gegrond is ziet de rechtbank aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op 805,00 euro. III. BESLISSING De rechtbank 's-Gravenhage, RECHT DOENDE:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van 805,00 euro, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;
- gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eiseres betaalde griffierecht van 22,69 euro (fl. 50,00) vergoedt. IV. RECHTSMIDDEL Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van deze uitspraak. Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Aldus gedaan door mr. M.C.R. Derkx als voorzitter en mrs. H.P.M. Meskers en B.J. Duinhof als leden en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2003, in tegenwoordigheid van drs. M. Wiersma, griffier. afschrift verzonden op: 30 januari 2003