RECHTBANK DEN HAAG zittinghoudende te Utrecht Reg.nr.: AWB 03/17535 OVERIO UITSPRAAK van de voorzieningenrechter, inzake het verzoek om voorlopige voorziening van: A, geboren op [...] 1993, van Turkse nationaliteit, verzoekster, gemachtigde: mr. L. Louwerse, advocaat te Utrecht, hangende het bezwaar tegen een besluit van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde: mr. R.R. Berkhout, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag. 1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE Aan de orde is het verzoek om een voorlopige voorziening hangende de behandeling van het bezwaarschrift van 19 maart 2003 tegen de beschikking van 17 maart 2003 strekkende tot niet-inwilliging van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning met als doel 'gezinshereniging bij ouders; arbeid vrij toegestaan, bij moeder B'. Ingevolge artikel 73, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt de werking van het besluit tot afwijzing van de aanvraag niet opgeschort. Verzoeker heeft de rechtbank verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat uitzetting achterwege dient te blijven, totdat op het bezwaar is beslist. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en ongegrondverklaring van het bezwaar met toepassing van artikel 78 Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw). De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 12 juni 2003. Ter zitting hebben verzoekster en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. 2. OVERWEGINGEN Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan -onder meer- indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Bij deze beoordeling acht de rechtbank met name van belang of het bezwaar tegen de niet-inwilliging van de aanvraag een redelijke kans van slagen heeft. De rechtbank geeft hierbij geen definitief, maar slechts een voorlopig oordeel. Verzoekster heeft aan haar aanvraag ten grondslag gelegd dat zij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning met als doel: 'gezinshereniging bij ouders; arbeid vrij toegestaan, bij moeder B'. Deze aanvraag is afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat verzoekster behoort tot één van de categorieën vreemdelingen die ingevolge het bepaalde in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, Vw en/of artikel 3.71, tweede lid, Vb van het mvv-vereiste zijn vrijgesteld. Voorts is in het geval van verzoekster geen sprake van een situatie waarin het onverkort vasthouden aan het bezit van een geldige mvv leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Verzoekster heeft hier in bezwaar, onder verwijzing naar een brief van haar raadsman aan de Vreemdelingendienst van 24 februari 2003, tegen aangevoerd dat zij op grond van de hardheidsclausule van het mvv-vereiste vrijgesteld dient te worden. Verzoekster heeft inmiddels de helft van haar leven in Nederland verbleven en zij heeft op de beslissingen betreffende de plaats waar zij zou wonen gezien haar jeugdige leeftijd geen enkele invloed kunnen uitoefenen. Een eerdere verblijfsprocedure heeft inmiddels geleid tot een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam op 23 december 2002. In deze procedure zijn echter onjuistheden vermeld, nu men eerder bevreesd was mededeling te doen van het gegeven dat de vader een relatie heeft aan twee vrouwen, aldus verzoeksters raadsman in het aanvullend bezwaarschrift van 25 maart 2003. Verzoekster voert voorts aan dat hetgeen destijds in het TBV 2002/4 is gesteld aanleiding geeft te veronderstellen dat mogelijk wel voldaan wordt aan de voorwaarden om te komen tot verblijf. Daarbij komt dat verzoekster opgevoed en verzorgd is door de 'buitenvrouw' van haar vader, C genaamd, en niet, zoals in de eerdere procedure is aangegeven, bij haar grootouders. Indien vastgesteld zou moeten worden dat de band tussen verzoekster en haar biologische moeder B zou zijn verbroken, dan moet onderkend worden dat verzoekster in deze het slachtoffer is. Zij heeft na het vertrek van haar moeder uit Turkije - enkele maanden na haar geboorte - altijd verbleven bij C. De andere kinderen, zowel die geboren uit C als die uit B, zijn in Nederland woonachtig. Verzoekster is inmiddels geïntegreerd in de Nederlandse samenleving, is nooit meer naar Turkije teruggeweest en volgt reeds vijf jaar onderwijs. Zij woont in hetzelfde flatgebouw samen met haar moeder, stiefmoeder, vader en de overige kinderen, in goede onderlinge harmonie. Voorzover haar krachtens het beleid inzake gezinshereniging geen verblijf kan worden toegestaan beroept verzoekster zich op artikel 8 EVRM en op het IVRK. Tenslotte verzoekt zij om een hoorzitting. De rechtbank overweegt als volgt. Het in de bestuursrechtspraak in vreemdelingenzaken in artikel 8:1 Awb en artikel 69 Vw 2000 verankerde beginsel dat eenzelfde geschil niet ten tweede male aan de rechter kan worden voorgelegd, verzet zich ertegen dat door het instellen van beroep tegen het besluit op een herhaalde aanvraag wordt bereikt dat de rechter de zaak beoordeelt, als ware het beroep gericht tegen het eerdere besluit. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 oktober 1998, JB 1998/258, waarin is geoordeeld dat voor de rechter het beperkte toetsingskader ook geldt indien het bestuursorgaan, zoals in de onderhavige procedure, in de motivering van zijn beslissing buiten het (beperkte) toetsingskader van artikel 4:6, Awb is getreden. De regels inzake toegang tot de rechter staan niet ter vrije beschikking van partijen, maar zijn van openbare orde. Nu reeds bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 23 december 2002 (AWB 00/65261) onherroepelijk is beslist op de eerdere aanvraag van verzoekster ter verkrijging van een vergunning tot verblijf met als doel 'verblijf bij moeder B', dient de onderhavige aanvraag als een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6, Awb te worden beschouwd. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan de aanvraag, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten of omstandigheden worden vermeld. Bij de beoordeling van de onderhavige herhaalde aanvraag dient de rechtbank zich derhalve te beperken tot de vraag of verzoekster zich beroept op nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 Awb. Naar het oordeel van de rechtbank is in casu van nieuwe feiten of omstandigheden in voormelde zin niet gebleken. De rechtbank gaat daarbij uit van de navolgende feiten en omstandigheden: 1. B (hierna: B), de biologische moeder van verzoekster, geboren op [...] 1953, is op 29 juli 1971 gehuwd met D (hierna: D), de vader van verzoekster, geboren op [...] 1947. 2. B is in 1973 naar Nederland gekomen. De ouders hebben ieder een verblijfstitel voor onbepaalde tijd. In 1993 is B naar Turkije teruggekeerd om aldaar, op [...] 1993, te bevallen van verzoekster. 3. Twee maanden na de bevalling is B naar Nederland teruggekeerd, verzoekster achterlatende bij haar grootmoeder van moederszijde (m.z.). In de gronden van het beroepschrift d.d. 17 november 2000 èn in de onderhavige procedure is weliswaar naar voren gebracht dat niet deze grootmoeder maar C (hierna: C), de stiefmoeder van verzoekster, verzoekster heeft opgevoed, doch ter zitting heeft verzoekster, desgevraagd, bevestigd dat zij door haar grootmoeder m.z. is opgevoed. 4. Op 7 mei 1997 is door de rechtbank te Utrecht de echtscheiding tussen B en D uitgesproken, waarbij de rechtbank heeft bepaald dat de ouders gezamenlijk belast zouden blijven met de uitoefening van het ouderlijk gezag over de in Nederland wonende broers van verzoekster. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard om over het gezag over verzoekster te beslissen, daartoe overwegende dat uit de overgelegde stukken is gebleken dat verzoekster haar gewone verblijfplaats buiten Nederland heeft. 5. Op 17 september 1997 is D met C in het huwelijk getreden. 6. C heeft op 24 september 1997 een mvv-aanvraag ingediend met als doel 'verblijf bij echtgenoot'. 7. Ten behoeve van verzoekster heeft zij op diezelfde datum een mvv-aanvraag met als doel 'gezinshereniging bij ouder' ingediend. 8. Op 22 oktober 1997 is aan beiden een machtiging tot voorlopig verblijf geweigerd. Uit de stukken blijkt dat verzoekster daarbij werd aangemerkt als "haar zoon A". 9. Op 28 januari 1998 heeft de korpschef, uitsluitend ten aanzien van C, een positief advies uitgebracht omtrent de afgifte van een mvv - met als doel 'verblijf bij echtgenoot'. 10. Uit de stukken blijkt niet op welke grond(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.