RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE Zittinghoudende te Assen Vreemdelingenkamer Regnr.: Awb 02/87018 VRONTN A R03 G18 S4 Uitspraak: 12 mei 2003 U I T S P R A A K op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende: A, geboren op [...] 1982 te B, van Joegoslavische nationaliteit, IND-dossiernummer: 0210.25.8001, zich ter zitting noemende A, geboren op [...] 1981 te C, van Sloveense nationaliteit, eiser; gemachtigde: mw.mr.T. Pondaag, advocaat te Wageningen tegen De Minister Voor Vreemdelingenzaken en Integratie te 's-Gravenhage, verweerder, gemachtigden: dhr. F. Egbers, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst en mr. P.M. Kruijdenberg, advocaat te 's-Gravenhage 1. PROCESVERLOOP Namens de vreemdeling (hierna: eiser) is op 19 november 2002 beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring, opgelegd bij besluit van 28 oktober 2002, en verzocht om toekenning van schadevergoeding. Verweerder heeft de bewaring op 19 november 2002 opgeheven. Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 27 november 2002. Eiser en diens gemachtigde zijn niet ter zitting verschenen. De rechtbank heeft kennis genomen van het schrijven van 22 november 2002 van eisers gemachtigde. Namens verweerder is verschenen de heer F. Egbers voornoemd. Het onderzoek is vervolgens heropend op grond van de artikelen 8:68, eerste lid, juncto artikel 8:10, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank. Behandeling ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 28 januari 2003. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr P.M. Kruijdenberg voornoemd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting van 28 januari 2003 ingevolge artikel 8:68 Awb heropend en partijen bij brief van 11 februari 2003 verzocht een standpunt te bepalen ten aanzien van de vraag of het beroepschrift om schadevergoeding kan worden opgevat als een verzoek tot herziening als bedoeld in artikel 8:88 Awb. Verweerder en eiser hebben bij brieven van 19 februari 2003 respectievelijk 21 februari 2003 standpunten geformuleerd. Met toestemming van partijen heeft de rechtbank ingevolge artikel 8:57 Awb bepaald dat nader onderzoek ter zitting achterwege kan blijven. Het onderzoek is vervolgens gesloten. 2. MOTIVERING Eiser heeft op 25 oktober 2002 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 28 oktober 2002, dezelfde dag uitgereikt, afgewezen. Eiser heeft daartegen op 28 oktober 2002 beroep ingesteld. De maatregel van bewaring is bij besluit van 28 oktober 2002 opgelegd met het oog op de uitzetting van de vreemdeling, nu naar de mening van verweerder de vreemdeling geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland en het belang van de openbare orde deze maatregel vordert, zoals nader in het bevel tot bewaring aangegeven (artikel 59, eerste lid en onder a, Vw 2000). Deze rechtbank, nevenzittingsplaats Assen, heeft het beroep tegen de maatregel van bewaring van 28 oktober 2002 behandeld ter zitting van 6 november 2002, en het onderzoek dezelfde datum gesloten. Bij uitspraak van 13 november 2002 heeft deze rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 15 november 2002 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, onder toepassing van artikel 8:86, eerste lid, Awb, eisers beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gegrond verklaard, het besluit van 28 oktober 2002 vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit neemt. Nu verweerder de maatregel van bewaring op 19 november 2002 heeft opgeheven, heeft de rechtbank uitsluitend te beslissen op het verzoek om schadevergoeding. Namens eiser is primair aangevoerd dat de maatregel van bewaring, gelet op de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, zittingsplaats Arnhem van 15 november 2002 waarin eisers beroep tegen de beslissing op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, gegrond is verklaard, van aanvang af onrechtmatig is geweest en derhalve schadevergoeding over de gehele bewaringsperiode dient te worden toegekend. Subsidiair is verzocht schadevergoeding toe te kennen vanaf 15 november 2002. Verweerder heeft primair het standpunt ingenomen dat de bewaring nimmer onrechtmatig is geweest aangezien ten tijde van het opleggen van de maatregel van bewaring (op 28 oktober 2002) een afwijzende beschikking was genomen op de asielaanvraag van eiser, terwijl voorts het door eiser ingestelde beroep tegen de maatregel bij uitspraak van 13 november 2002 ongegrond is verklaard en verweerder de bewaring heeft opgeheven op de dag nadat verweerder bekend was met de inhoud van deze uitspraak. Subsidiair heeft verweerder aangevoerd dat de bewaring onrechtmatig is geworden met ingang van 15 november 2002, de datum van de uitspraak van de president in de AC-procedure, doch voor wat betreft toekenning van schadevergoeding als uitgangsdatum maandag 18 november gehanteerd dient te worden, te weten de datum waarop verweerder kennis heeft kunnen nemen van voornoemde uitspraak. Verweerder heeft voorts nog de opvatting verdedigd dat de bewaring (na voornoemde uitspraak) voortgezet had kunnen worden op grond van artikel 59, eerste lid aanhef, sub b, Vw 2000 en dat ook daarom de bewaring niet onrechtmatig is geworden. Aangezien verweerder reeds daags na bekend worden van de uitspraak is overgegaan tot opheffing van de maatregel van bewaring, heeft verweerder geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 106 Vw 2000 bepaalt dat de rechtbank de vreemdeling ten laste van de Staat een schadevergoeding kan toekennen als zij de opheffing van de maatregel beveelt dan wel als de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing is geëindigd. De rechtbank ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag wat de consequenties zijn van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 15 november 2002, voor de rechtspositie van eiser gedurende de periode dat hij in bewaring was gesteld. In deze uitspraak heeft de rechtbank het besluit tot afwijzing van de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, Vw 2000, vernietigd. De vernietiging van het afwijzingsbesluit brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat de rechtsgevolgen van dat besluit met terugwerkende kracht zijn weggenomen en dat verweerder opnieuw zal moeten beslissen op de vergunningsaanvraag van 25 oktober 2002. Eiser wordt derhalve geacht in de periode dat hij in bewaring was gesteld steeds rechtmatig verblijf in Nederland te hebben gehad op grond van artikel 8, onder g, Vw 2000. Dit betekent dat eiser - achteraf bezien - gedurende de periode dat hij zich in bewaring bevond, niet tot de categorie vreemdelingen behoorde als bedoeld in artikel 59, eerste lid, en onder a, Vw 2000. Eiser heeft derhalve van aanvang af ten onrechte op grond van deze bepaling in bewaring verbleven. De omstandigheid dat verweerder hiervan pas na uitspraak van 15 november 2002 op de hoogte kon zijn, maakt dit niet anders. Het vorenstaande brengt evenwel niet mee dat de rechtbank thans een uitspraak kan doen over de rechtmatigheid van de bewaring gedurende de gehele periode van de in bewaringstelling en schadevergoeding over de gehele periode kan toekennen. Deze rechtbank, zittingsplaats Assen, heeft immers naar aanleiding van een eerdere kennisgeving reeds bij uitspraak van 13 november 2023 geoordeeld dat de bewaring tot en met 6 november 2002 (de datum van sluiting van het onderzoek) rechtmatig is. Deze uitspraak is onherroepelijk geworden. Artikel 8:88 Awb biedt de rechtbank de mogelijkheid om op verzoek van partijen een onherroepelijk geworden uitspraak te herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.