RECHTBANK te 's-GRAVENHAGE nevenzittingsplaats Zwolle sector vreemdelingenrecht voorzieningenrechter regnr.: Awb 02/13855 & 02/14064 UITSPRAAK inzake: A, geboren op [...] 1962, verder te noemen verzoeker sub 1, B geboren op [...] 1969, verder te noemen verzoekster sub 2, mede ten behoeve van twee minderjarige kinderen, C, geboren op [...] 1988, verder te noemen verzoekster sub 3, allen van Soedanese nationaliteit, IND dossiernummer 9811.03.8039, gemachtigde: mr. T. Volckmann, advocaat te Zwolle, verzoekers; tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE (Immigratie- en Naturalisatiedienst), te 's-Gravenhage, gemachtigde: mr. B.Th. Moerkoert , advocaat te 's-Gravenhage, verweerder. 1 Procesverloop 1.1 Verzoekers, die op 4 november 1998 een aanvraag om toelating als vluchteling hebben gedaan, zijn sinds 14 december 2000 uitgeprocedeerd als asielzoekers. Op 28 mei 2001 hebben verzoekers een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking voor het ondergaan van een medische behandeling, c.q. voor verblijf bij verzoekster sub 3 gedurende het ondergaan van haar medische behandeling ingediend. Bij beschikkingen van 11 februari 2002 heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd. Bij brief van 21 februari 2002 is daartegen bezwaar gemaakt. 1.2 Verzoekers mogen de behandeling van het bezwaar niet in Nederland afwachten. Bij verzoekschrift van 21 februari 2002 is verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten totdat in bezwaar is beslist. Het verzoek is ter zitting van 22 mei 2003 behandeld. Verzoekers sub 1 is daarbij verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van verzoekers. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. Moerkoert. 2 Toetsingskader 2.1 De voorzieningenrechter stelt vast dat voldaan wordt aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechter zal toetsen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft dan wel de beslissing in strijd is met andere rechtsregels en of bij afweging van de betrokken belangen uitzetting van verzoekers in afwachting van de beslissing op het bezwaar moet worden verboden. 3 Standpunten 3.1 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat verzoekers niet beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Niet gebleken is dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste in casu zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, als bedoeld in artikel 3.71, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Volgens een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 8 januari 2002 is verzoekster sub 3 in staat om te reizen. In zijn verweerschrift heeft verweerder hieraan toegevoegd dat voor toepassing van het bepaalde in artikel 3.71, vierde lid, Vb 2000 minimaal vereist is dat de betrokkene een uitdrukkelijk - gemotiveerd - beroep doet op de hardheidsclausule. Verweerder constateert dat verzoekers in het onderhavige geval bij de aanvraag geen beroep hebben gedaan op de vrijstelling van artikel 3.71, vierde lid, Vb 2000, zodat om die reden het in bezwaar gedane beroep op deze vrijstelling geen doel kan treffen. Op de ter zitting aan verweerder gestelde vraag of het beleid van verweerder ter uitvoering van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 een relatie legt met het begrip 'medische noodsituatie', zoals omschreven in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc. 2000), B8/5, is namens verweerder geantwoord dat dit niet het geval is. Deze bepaling ziet alleen op de vraag of het voor de vreemdeling verantwoord is om te reizen. Op de ter zitting aan verweerder gestelde vraag of het Bureau Medische Advisering (BMA) in zijn nota de bij schrijven van 14 september 2001 door verweerder gestelde vraag of het uitblijven van medische behandeling voor de klachten van verzoekster sub 3 zal leiden tot een acute medische noodsituatie bewust niet heeft beantwoord, is namens verweerder geantwoord dat dit blijkbaar het geval is. 3.2 Verzoekers stellen zich op het standpunt dat verweerder de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen, vanwege het mvv-vereiste. Onvoldoende gemotiveerd is waarom verweerder geen aanleiding heeft gezien om verzoekers, met toepassing van de hardheidsclausule, vrij te stellen van het mvv-vereiste. Verzoekster sub 3 lijdt aan het RETT-syndroom, een ernstige ontwikkelingsstoornis, die ook tot lichamelijke klachten heeft geleid. Verzoekster wordt in Nederland medisch begeleid en behandeld voor de klachten die zij ten gevolge van dit syndroom ondervindt. Verzoekers doen een beroep op het bepaalde in artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). 4 Overwegingen 4.1 De voorzieningenrechter stelt voorop dat artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 kan worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de Vw 2000 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur hieromtrent nadere regels worden gesteld. Artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 niet wordt afgewezen wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf, indien het voor de vreemdeling gelet op zijn gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen. Van de bevoegdheid van artikel 16, tweede lid, Vw 2000 is gebruik gemaakt in artikel 3.71 Vb
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.