RECHTBANK DEN HAAG zittinghoudende te Utrecht Reg.nrs.: AWB 03/42881 BEPTDN (beroepszaak) AWB 03/42882 BEPTDN (voorlopige voorziening) UITSPRAAK van de voorzieningenrechter, inzake het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep van: A, geboren op [...] 1976, van Iraanse nationaliteit, verzoeker, gemachtigde: mr. R. Bosma, advocaat te Assen, tegen een besluit van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, gemachtigde: mr. C. Eijkelhof, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag. 1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE Op 2 augustus 2003 heeft verzoeker een herhaalde aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 3 augustus 2003 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker niet ingewilligd in het kader van de zogenaamde AC-procedure. Verzoeker heeft tegen deze beslissing beroep bij deze rechtbank ingesteld. Verzoeker heeft de rechtbank verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten totdat op het beroep is beslist. De openbare behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2003. Ter zitting hebben verzoeker en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. 2. OVERWEGINGEN Ten aanzien van de voorlopige voorziening Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Op grond van het bepaalde in artikel 8:86 Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken. Ten aanzien van het beroep In de hoofdzaak dient te worden beoordeeld of de bestreden beslissing in rechte stand kan houden. Aangezien verweerder de aanvraag heeft afgewezen in het aanmeldcentrum (AC), dient te worden beoordeeld of het desbetreffende besluit binnen 48 uur op zorgvuldige wijze is genomen. Verzoeker heeft aan zijn, thans aan de orde zijnde, herhaalde aanvraag een aantal documenten ten grondslag gelegd. Het eerste document betreft een overlijdensakte van verzoeker, afgegeven op 1 december 2000 door de Burgerlijke Stand. Het tweede document betreft verzoekers identiteitsboekje. Het derde document betreft een schrijven van justitie in Teheran d.d. 7 september 2000 aan de commandant opsporing van de ordedienst van Teheran. Laatstgenoemde wordt hierin verzocht om alle niet verdachte stukken die bij de huiszoeking in de woning op het adres B, [...]straat 12 te Teheran, in beslag zijn genomen, terug te geven aan de vader van verzoeker. Verweerder heeft de bestreden beslissingen, voor zover hier van belang en samengevat, doen steunen op de volgende overwegingen. Hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht kan niet worden beschouwd als nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de overlijdensakte niet eerder heeft kunnen inbrengen. Op verzoeker rust een inspanningsverplichting om er alles aan te doen om aan documenten te komen. Hij had tijdens de eerste procedure contact moeten opnemen met zijn familie. Verzoeker heeft pas nadat zijn aanvraag is afgewezen contact opgenomen en navraag gedaan. Dit komt voor rekening en risico van verzoeker. Het schrijven van 7 september 2000 wordt door verweerder evenmin aangemerkt als een rechtens relevant novum. Verzoeker heeft verklaard dat hij na zijn vrijlating en voor zijn vertrek uit Iran twee tot drie uur in huis heeft verbleven. Verzoeker was derhalve in de gelegenheid om dit document mee te nemen en dit in de eerste procedure over te leggen. Ten aanzien van het overgelegde identiteitsboekje merkt verweerder op dat verzoeker ook dit document in de eerste procedure had kunnen inbrengen. De verklaring van verzoeker dat het identiteitsboekje ongeldig is gemaakt door middel van een rood kruis en stempels op de pagina’s verandert hier niets aan. Gelet op vorenstaande bestaat er voor verweerder geen aanleiding om de aanvraag inhoudelijk te beoordelen op inwilligbaarheid. Verzoeker bestrijdt dit besluit en heeft daartegen het volgende aangevoerd. Verzoeker heeft om toezending van de documenten gevraagd zodra hij van het bestaan afwist. Op het moment dat de overlijdensakte werd afgegeven was hij al uit Iran vertrokken. Volgens het gerechtelijk schrijven van 7 september 2000 moesten alle niet verdachte stukken worden teruggegeven en dit gebeurde aan de vader van verzoeker. Deze werd echter gearresteerd kort na verzoekers vertrek naar Nederland hetgeen verzoeker vernam via de vriendin van zijn zus. Verzoeker sprak na zes maanden telefonisch met deze vriendin. Zij bevestigde de arrestatie van verzoekers vader en vertelde dat zijn familie in de gaten werd gehouden en dat zijn moeder niet naar haar kon komen om te bellen. Verzoeker sprak zijn moeder pas toen hij al een jaar in Nederland verbleef. Tijdens dit emotionele gesprek werd niet over teruggave of afgifte van documenten gesproken. Verzoeker sprak zijn vader na diens vrijlating in juli 2002. Toen vernam hij van het bestaan van de documenten en verzocht hij om toezending hiervan. Dit was ten tijde van de eerste asielprocedure. De documenten werden via kennissen naar Nederland gebracht waarmee de nodige tijd was gemoeid. Verzoeker is van mening dat hij de stukken tijdig heeft opgevraagd en dat hem geen verwijt kan worden gemaakt dat hij ze in onderhavige procedure heeft overgelegd. Verzoeker was voor zijn vlucht naar Nederland op 13 november 2000 enkele uren in zijn ouderlijk huis. Hem is toen niet verteld dat er een gerechtelijk schrijven van 7 september 2000 voor zijn vader was ontvangen. Het identiteitsboekje is ten onrechte niet als novum beschouwd aangezien hem in de vorige procedure is tegengeworpen dat hij toerekenbaar geen documenten ten aanzien van identiteit en reisverhaal heeft overgelegd. Het boekje kon verzoeker niet eerder overleggen. Verweerder heeft ten onrechte geen betekenis toegekend aan het ongeldig maken van dit document. Gelet op vorenstaande is verzoeker van mening dat verweerder zijn aanvraag inhoudelijk op inwilligbaarheid had moeten beoordelen. De rechtbank overweegt als volgt. Vooropgesteld moet worden dat verzoeker reeds eerder een aanvraag om toelating als vluchteling heeft ingediend. De procedure die hierop volgde is geëindigd met de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Breda van 18 februari 2003 (AWB 01/43728). Met deze uitspraak is in rechte komen vast te staan dat verzoeker niet kan worden aangemerkt als vluchteling, dat hij bij uitzetting naar Iran geen reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM en dat evenmin sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard die tot verblijfsaanvaarding nopen. De aanvraag van 2 augustus 2003 die thans ter beoordeling voorligt dient, gelet op het asielrelaas zoals verzoeker dat aan deze aanvraag ten grondslag heeft gelegd, derhalve ingevolge artikel 1, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) te worden beschouwd als nieuwe aanvraag in de zin van artikel 4:6 Awb. Ingevolge het bepaalde in artikel 4:6 Awb is indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking. Blijkens de Memorie van Toelichting bij artikel 4:6 Awb dient een belanghebbende die buiten het geval van bezwaar en beroep wenst dat een bestuursorgaan terugkomt van een onherroepelijke beslissing en daarvoor een nieuwe aanvraag indient, nieuwe feiten en omstandigheden aan te dragen die (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.