IB/A rolnummer: 03/1384 datum vonnis: 3 maart 2004 (bij vervroeging) RECHTBANK 's-GRAVENHAGE sector civiel recht - meervoudige kamer Vonnis in de zaak met rolnummer 03/1384 van:
(3), welke niet in het rapport zouden zijn terug te vinden, overweegt de rechtbank het volgende. De eerste uitlating staat niet los van het rapport, maar had wat zorgvuldiger kunnen worden geredigeerd. Immers: blijkens het rapport is het niet zo dat de NMa de fietsfabrikanten ervan verdenkt dat zij de prijzen voor de aankoop van een fiets hebben verhoogd, maar dat zij overleg hebben gepleegd "over het verhogen van de consumentenadviesprijzen voor het fietsseizoen 2001" (randnr. 122). In randnr. 60 is vermeld dat de consumentenadviesprijzen jaarlijks in de verkoopbrochures van de fabrikanten worden kenbaar gemaakt aan afnemers en eindgebruikers. Accell c.s. hebben niet gesteld dat rijwielhandelaren betekenisvol van die adviesprijzen afwijken. Derhalve moet voor dit geding worden aangenomen dat de consumentenadviesprijzen in de regel door de rijwielhandelaren worden gevolgd. De rechtbank is van oordeel dat de tweede uitlating voldoende steun vindt in het rapport, nu in de randnummers 289 en 299 is vermeld dat overeenkomsten of afstemmingen over prijsverhogingen die in het onderhavige geval zijn geconstateerd tot minder concurrentie en tot minder onzekerheid over het prijsbeleid van een concurrent leiden respectievelijk dat overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen de mededinging beperken. De rechtbank acht ook de derde uitlating niet onjuist. Aan de in de Mw gegeven regels ligt immers de premisse ten grondslag dat het publiek is gediend met gezonde concurrentie-verhoudingen. Zoals in de memorie van toelichting bij de Mw van 22 mei 1997, Stb. 1997, Kamerstukken 24707, nr. 3, p. 6 is vermeld hebben concurrentiebeperkingen concrete negatieve effecten, zoals verstarring van de aanbodstructuren, vermindering van de vernieuwingsprikkel, vermindering van de prikkel tot efficiënt produceren, een opwaartse druk op de prijzen en een negatief welvaartseffect. 3.17 Bij de vraag of de NMa zorgvuldig heeft gehandeld dient verder -aan de hand van onder meer de in r.o. 3.7 bedoelde, door de Hoge Raad genoemde criteria- te worden beoordeeld of de NMa bij de publicatie voldoende belang had, tegenover het belang van Accell c.s. om daaraan niet te worden blootgesteld. 3.18 Daarbij staan tegenover elkaar de aard van de gepubliceerde verdenkingen, waartegen de NMa wenst op te treden, en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degenen op wie die verdenkingen betrekking hebben. Zoals in r.o. 3.11 reeds is overwogen is de rechtbank van oordeel dat in het persbericht voldoende duidelijk is aangegeven dat de NMa rapport heeft opgemaakt omdat hij een redelijk vermoeden heeft dat een overtreding van de Mw is begaan, alsmede dat Accell c.s. nog op het rapport kunnen reageren. Hoewel dus enerzijds duidelijk genoeg is aangegeven dat het hier "slechts" een voorlopig standpunt van de NMa betreft, brengt anderzijds het publiekelijk bekend maken van dit standpunt reeds negatieve publiciteit met zich mee. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de NMa een bron is met gezag, op wiens mededelingen door media vertrouwd mag worden. De rechtbank verwijst in dit verband verder naar hetgeen in r.o. 3.4 is overwogen met betrekking tot de door Accell c.s. geleden schade. 3.19 Accell c.s. hebben bij repliek niet weersproken dat de NMa vanuit het oogpunt van generale preventie door inscherping van mededingingsregels en verantwoording aan de burger belang heeft bij het bekendmaken van een verdenking dat de Mw is overtreden, maar zij achten het tijdstip van de onderhavige publicatie onjuist. Accell c.s. stellen kort gezegd dat het slechts in het algemeen belang is om een definitief oordeel naar buiten te brengen, maar niet, zoals in het onderhavige geval, een voorlopige standpunt. De Staat heeft erop gewezen dat een onderzoek naar kartelvorming veelal meerdere jaren in beslag neemt. Wanneer daarover geen mededelingen worden gedaan kan bij het publiek het beeld ontstaan dat de NMa daartegen niet optreedt. De Staat heeft niet weersproken dat de NMa op zich ook over andere mogelijkheden beschikt om bekendheid te geven aan de (handhaving van) mededingingsrechtelijke regels, maar stelt dat de NMa niet bij machte is elke potentiële mededingingszaak te onderzoeken, zodat generale preventie, die met de publicatie van het onderhavige persbericht wordt nagestreefd, van essentieel belang is. De rechtbank is van oordeel dat het inderdaad in het algemeen belang kan worden geacht dat over het handhavingsbeleid van de NMa wordt gepubliceerd. Hoewel de NMa op zich ook over andere mogelijkheden beschikt om daaraan bekendheid te geven, kan niet worden gezegd dat zij vanuit het oogpunt van generale preventie geen belang zou hebben bij de publicatie van het onderhavige persbericht. 3.20 Met betrekking tot de betekenis van het door Accell c.s. gestelde nadeel als gevolg van het persbericht is verder van belang dat er blijkens door de Staat overgelegde producties in de media al geruime tijd aandacht was voor het onderzoek naar kartelvorming binnen de fietsenbranche, alsmede dat Accell, wanneer de NMa niet bekend zou hebben gemaakt dat tegen Accell c.s. rapport was opgemaakt, ingevolge artikel 28, aanhef en onder h van het Fondsenreglement daarmee zelf naar buiten had dienen te komen (zie r.o. 3.2 en 3.3). 3.21 Met betrekking tot de mate waarin ten tijde van de publicatie de verdenkingen steun vonden in het beschikbare feitenmateriaal, wordt verwezen naar de r.o. 3.15 en 3.
- Daarbij merkt de rechtbank op dat het rapport is opgesteld nadat ambtenaren van de NMa bedrijfsbezoeken hebben afgelegd en nadat een extern onderzoek heeft plaatsgevonden. Of het onderzoek op ondeugdelijke en/of onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, zoals Accell c.s. stellen, zal in een eventuele (op het sanctiebesluit van de NMa volgende) bestuursrechtelijke procedure aan de orde dienen te komen. Accell c.s. hebben onvoldoende gesteld om thans reeds aan te nemen dat het onderzoek in bepaalde opzichten ondeugdelijk of onzorgvuldig is geweest. De rechtbank is van oordeel dat het persbericht van de NMa voldoende steun vindt in het rapport. 3.22 Wat de inkleding van de verdenkingen betreft, is de rechtbank -als gezegd- van oordeel dat in het persbericht wel een aantal meer of minder stellige passages voorkomt, maar dat bij beschouwing van de volledige tekst duidelijk is dat geen sprake is van vaststaande feiten, maar van een voorlopig standpunt van de NMa. 3.23 Namens de NMa is erkend dat de inhoud van het voorgenomen persbericht bewust pas kort voor die publicatie aan de betrokken ondernemingen pleegt te worden verspreid, omdat anders het risico dreigt dat haar persbericht publicitair ondersneeuwt in niet aanstonds controleerbare mededelingen van de betrokken bedrijven. Aldus zou de NMa ten aanzien van afgeronde rapporten die tot een of meer verdenkingen leiden, geen effectief persbeleid kunnen voeren. Achtergrond daarbij is dat de NMa van haar kant bij publicaties als de onderhavige aan strenge zorgvuldigheidseisen moet voldoen, terwijl zulke eisen níet worden gesteld aan eventuele persuitingen van de betrokken bedrijven. Bij deze stand van zaken acht de rechtbank bedoelde aanpak van de NMa niet onrechtmatig. Ter vermijding van onnodige irritatie bij de betrokken bedrijven zou het wel aanbeveling verdienen dat deze d.w.z. de directies er tijdig tevoren en op adequate wijze op worden geattendeerd dat er een persbericht aanstaande is. Daartoe is het enkel toezenden of laten bezorgen niet toereikend. 3.24 De rechtbank acht het ongelukkig, maar niet onrechtmatig dat de NMa de tekst van het voorgenomen persbericht pas twee uur vóór de publicatie op haar website op het kantoor van Accell heeft laten bezorgen, zonder Accell tevoren hierover in te lichten. Weliswaar kon Accell gelet op de bedrijfsbezoeken die in september 2000 hadden plaatsgevonden en de publiciteit die daarover in de media is geweest, er mee bekend worden geacht dat er een onderzoek van de NMa tegen tot haar groep behorende ondernemingen liep, echter dat zodanig onderzoek had geresulteerd in het opmaken van een rapport moest zij in feite uit de pers vernemen. Dat Accell in het geheel niet in staat is geweest om, enige tijd na het bekend worden dat tegen tot haar groep behorende ondernemingen rapport was opgemaakt, de pers te woord te staan acht de rechtbank echter onvoldoende onderbouwd. 3.25 De rechtbank komt op grond van de hierboven genoemde omstandigheden, in samenhang bezien, tot de conclusie dat de NMa niet onrechtmatig heeft gehandeld door de publicatie van het onderhavige persbericht. Er is wel sprake geweest van "schoonheidsfouten" (zie met name r.o. 3.22 tot en met 3.24), maar deze zijn van onvoldoende gewicht om het handelen van de NMa als onrechtmatig te kwalificeren. 3.26 Wel hebben Accell c.s. terecht aangevoerd dat het voor hen beschadigend is dat het voorlopige standpunt van de NMa, dat zij de Mw zouden hebben overtreden, in de openbaarheid is gebracht, in een stadium dat zij hun visie daarop nog niet hebben kunnen inbrengen en dat thans, meer dan een jaar na het bekendmaken van die verdenking, nog steeds niet bekend is of en in hoeverre de NMa zijn aanvankelijke standpunt -in de vorm van een sanctiebesluit- handhaaft. Door niet voortvarend op de door Accell c.s. ingediende zienswijzen te beslissen duurt die verdenking nog steeds voort. De rechtbank is van oordeel dat dit mogelijke "undue delay"-aspect niet van invloed is op de rechtmatigheid van de onderhavige publicatie, reeds omdat dat aspect zich pas ná die publicatie voordoet. Dit aspect zal mogelijk wel een rol kunnen spelen in de verdere afdoening, hetzij bij het nemen van een eventueel sanctiebesluit, hetzij bij een eventueel daarop volgende bestuursrechtelijke procedure. jaarverslag 3.27 Ook met betrekking tot het jaarverslag is hooguit sprake van "schoonheidsfouten", bestaande uit nogal stellig taalgebruik (zie in dit verband r.o. 3.12). Ook dit is echter van onvoldoende gewicht om het handelen van de NMa als onrechtmatig te kwalificeren. toezenden rapport aan Larcom 3.28 De rechtbank is van oordeel dat de NMa niet verweten kan worden dat in één rapport de volgens hem door vier fietsfabrikanten begane overtredingen van de Mw zijn beschreven, temeer waar de verweten gedragingen gezamenlijk handelen door die fabrikanten betreffen. De NMa is ingevolge artikel 59, lid 3 Mw verplicht om een afschrift van het volledige rapport toe te zenden aan de onderneming die de overtreding heeft begaan. Nu Larcom de activiteiten van Union B.V. heeft overgenomen en de NMa Larcom aansprakelijk houdt voor de door Union B.V. gepleegde overtredingen, was de NMa gehouden een afschrift van het rapport aan Larcom toe te zenden. De rechtbank acht het voldoende dat de NMa daaruit de vertrouwelijke (bedrijfs)gegevens met betrekking tot Accell c.s. heeft verwijderd. Dat er in het aan Larcom toegezonden exemplaar, waarin in beginsel slechts de vertrouwelijke (bedrijfs)gegevens met betrekking tot Union B.V. zijn vermeld, toch ook enkele gegevens met betrekking tot Accell c.s. zijn vermeld waarmee Larcom volgens Accell c.s. haar voordeel zou kunnen doen -zie de conclusie van repliek nr. 9- is niet geheel te vermijden. Accell c.s. hebben onvoldoende gesteld om aan te nemen dat de NMa in dit opzicht onrechtmatig heeft gehandeld. Daar komt bij dat in beginsel Union B.V., en derhalve ook Larcom, met die gegevens bekend kunnen worden geacht aanzien Union B.V. volgens het rapport van de NMa betrokken was bij het daarin beschreven uitwisselingssysteem. Accell c.s. hebben verder onvoldoende gesteld om aan te nemen dat er in het aan Larcom toegezonden rapport vertrouwelijke gegevens omtrent hun ondernemingen zijn vermeld die niet reeds bij Larcom bekend waren, terwijl voorts niet valt in te zien dat Accell c.s. door deze toezending aan Larcom enige concrete schade hebben geleden, temeer nu die gegevens omtrent haar ondernemingen betrekking hebben op de periode tot september
- slotsom 3.29 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zullen de vorderingen van Accell c.s. worden afgewezen. Accell c.s. zullen als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. BESLISSING De rechtbank: - wijst de vordering af; - veroordeelt Accell c.s. in de kosten van het geding aan de zijde van de NMa, tot op deze uitspraak begroot op € 205,-- aan verschotten en € 1.996,-- aan salaris; Dit vonnis is gewezen door mrs. Punt, Van Schaik en Van der Ham en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.