RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE SECTOR STRAFRECHT MEERVOUDIGE KAMER (VERKORT VONNIS) parketnummer 09/757345-02 rolnummer 0004 's-Gravenhage, 31 maart 2004. De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [adres], thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haaglanden, Penitentiair Complex Scheveningen Unit 2. De terechtzitting. Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 17 maart 2004. De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. S. Urcun, is verschenen en gehoord. De officier van justitie mr. A. Rijsdorp heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 (impliciet primair) en onder 2 (impliciet primair) telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. De telastlegging. Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A. De bewijsmiddelen. P.M. De bewezenverklaring. Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 (impliciet primair) en onder 2 (impliciet primair) vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B. Bewijsoverweging. De rechtbank heeft met betrekking tot de bewezenverklaarde feiten het volgende overwogen. Verdachte en diens broer (de medeverdachte) zijn door één van de latere slachtoffers, te weten: [namen], opgelicht door gebruikmaking van de zogenoemde "wash-wash-truc". Na deze oplichting hebben verdachte en diens broer meerdere keren contact gehad met [naam]. Toen het verdachte en diens broer duidelijk was geworden dat zij hun geld niet terug zouden krijgen, hebben zij op wraak gezonnen en het besluit genomen om de oplichters te vermoorden. Ter uitvoering van dit voorgenomen besluit hebben zij op een gegeven moment die [naam] benaderd met het verzoek om samen te gaan werken: verdachte en diens broer zouden de klanten aanleveren zodat [naam] hen zou kunnen oplichten. Vervolgens hebben verdachte en diens mededader met [naam] afgesproken dat op 5 juli 2002 iemand opgelicht zou gaan worden in de buurt van Den Haag. Op die bewuste dag is verdachte achter zijn broer aangereden die [naam], alsmede de door die [naam] meegebrachte [naam], naar de plaats van het delict in De Lier bracht. Ter plaatse aangekomen heeft verdachte [naam] in het hoofd, hals, arm en bovenlichaam en die [naam] in de schouder, arm en tweemaal in de borst geschoten, tengevolge waarvan beide slachtoffers zijn overleden. Op grond van het bovenstaande, met name het motief van verdachte en diens broer, de wijze van uitvoering op die bewuste dag, is de rechtbank van oordeel dat in casu gesproken kan worden van het medeplegen van twee moorden. Immers hebben verdachte en diens broer gezamenlijk op 5 juli 2002 weloverwogen gehandeld ter uitvoering van het - reeds enige tijd daarvoor - door hen genomen besluit om wraak te nemen op de mannen, die hen opgelicht hadden door hen naar een (relatief) afgelegen plek te brengen om hen aldaar te vermoorden. Ter terechtzitting is door verdachte verklaard dat hij het ene slachtoffer kende van zakelijke contacten in de periode voorafgaand aan 5 juli 2002, maar dat de andere man hem onbekend was. Gebleken is dat laatstgenoemde [naam] betreft, die niet betrokken is geweest bij de oplichting van verdachte en zijn broer. De wraak van verdachte was derhalve niet tegen [naam] gericht. Niettemin is moord van [naam] bewezen, aangezien, gelet op de constatering door verdachte van onbekendheid met [naam] en de wijze van uitvoering van het plan door met de slachtoffers naar de plaats van het delict te rijden, het vervolgens nadat allen waren uitgestapt op de plaats van het delict afvuren van kogels op [naam] niet anders kan zijn gebeurd dan na kalm beraad en rustig overleg. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte. Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert. Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden. Strafmotivering. Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen. Verdachte heeft samen met zijn mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.