RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE ZITTINGHOUDENDE TE ROERMOND Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Vreemdelingenkamer Uitspraak van de rechtbank. Proc.nrs. : AWB 02/68443 en AWB 02/68451 Inzake : A en B, eisers, gemachtigde mr. K.L.W. Brummans, advocaat te Venlo, tegen : de Minister van Buitenlandse Zaken, te ‘s-Gravenhage, verweerder. I. PROCESVERLOOP Op 27 augustus 2002 heeft verweerder de thans bestreden besluiten genomen, waarbij de bezwaarschriften van eisers van 16 februari 2001, gericht tegen de afwijzing van hun aanvragen om een machtiging tot voorlopig verblijf bij besluiten van 23 januari 2001, ongegrond zijn verklaard. Tegen deze besluiten zijn op 5 september 2002 beroepen ingesteld. Bij schrijven van 11 oktober 2002 hebben eisers de beroepen nader gemotiveerd. Verweerder heeft naar aanleiding van de beroepen de op de zaken betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. De openbare behandeling van de beroepen heeft gevoegd plaatsgevonden op 18 december 2003. Eisers hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigde mr. K.L.W. Brummans. Tevens is verschenen referent C. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. R.J.L. van Bokhoven. II. OVERWEGINGEN Op 17 mei 2000 hebben eisers, geboren op respectievelijk [...] 1986 en [...] 1988, aanvragen voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ingediend in het kader van gezinshereniging bij hun vader C, woonachtig te D (verder: referent). Bij besluiten van 23 januari 2001 heeft verweerder de aanvragen afgewezen, aangezien de feitelijke gezinsband tussen eisers en referent is verbroken. In bezwaar hebben eisers en referent bestreden dat de feitelijke gezinsband is verbroken, nu referent juridisch en feitelijk invulling heeft gegeven aan het ouderlijk gezag. Ter onderbouwing hiervan heeft referent aangevoerd dat hij eisers in belangrijke mate financieel heeft onderhouden en dat hij veel contact heeft met eisers en hun moeder. Bovendien had referent de eerste 5 jaar van zijn verblijf in Nederland, gezien zijn illegale verblijf alhier, geen mogelijkheden om eisers legaal uit Turkije te laten overkomen. Voorts hebben eisers verwezen naar de omstandigheid dat aan hun zus E wel een mvv is afgegeven. Eisers hebben hieraan de conclusie verbonden dat verweerder er dus kennelijk van uit gaat dat immer sprake is van het bestaan van een feitelijke gezinsband tussen eisers en referent. Daarnaast hebben eisers en referent zich op het standpunt gesteld dat een weigering van een vergunning tot verblijf in het kader van gezinshereniging een ongerechtvaardigde schending van het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) inhoudt. Op 23 juli 2002 zijn de gemachtigde van eisers en referent in de gelegenheid gesteld de belangen van eisers nader te bepleiten ten overstaan van een ambtelijke commissie. Bij de thans bestreden besluiten zijn de bezwaren van eisers ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder -voor zover in dit geding relevant- in heroverweging zijn standpunt gehandhaafd dat de feitelijke gezinsband is verbroken. In heroverweging heeft verweerder getoetst aan het beleid inzake gezinshereniging zoals neergelegd in het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 2002/4. Voor zover door eisers in bezwaar is verwezen naar de mvv-procedure van E, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen. Dit nu in deze procedure sprake is geweest van een ambtelijke misslag, waarbij abusievelijk de feitelijke gezinsband niet nader is onderzocht en mitsdien niet is tegengeworpen. Daarnaast kan naar de mening van verweerder een beroep op artikel 8 EVRM niet slagen, nu de weigering eisers in Nederland verblijf toe te staan er niet toe strekt hun een verblijfstitel te ontnemen die hun tot het uitoefenen van het familie- of gezinsleven in Nederland in staat stelde. Ook noopt een belangenafweging tussen de belangen van de staat en die van eisers en/of referent niet tot een positieve verplichting voor de Nederlandse Staat om eisers verblijf hier te lande toe te staan. Niet is immers gebleken van een objectief beletsel om het familie- of gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden besluiten toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kunnen doorstaan. De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 7 van het Souverein Besluit (van 12 december 1813, Stcrt. 1814, nr. 4) is de wettelijke grondslag voor de visumverlening door de Minister van Buitenlandse Zaken. Een mvv is volgens artikel 1, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), een door een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland na voorafgaande machtiging van onze Minister van Buitenlandse Zaken afgegeven visum voor een verblijf van langer dan drie maanden. Op grond van artikel 72, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een beschikking omtrent de afgifte van een visum, waaronder begrepen een mvv, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, gelijkgesteld met een beschikking gegeven krachtens de Vw 2000. De rechtbank is derhalve bevoegd. Overigens is de rechtbank niet gebleken van feiten op grond waarvan het beroep niet-ontvankelijk moet worden geacht. Het verzoek van eisers strekt tot verlening van een mvv voor gezinsherenigingsdoeleinden. Daarvoor geldt het volgende. Voor een verblijf in Nederland van langer dan drie maanden behoeft een vreemdeling in beginsel een verblijfstitel als genoemd in artikel 8 van de Vw 2000. Met het oog hierop pleegt een aanvraag om een mvv te worden getoetst aan dezelfde criteria als die welke strekken tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning. Verlening van een verblijfsvergunning, als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, is een discretionaire bevoegdheid van verweerder, zodat de rechtbank ter zake slechts een beperkte toetsing toekomt. Dat brengt mee, dat de rechtbank het besluit van verweerder heeft te respecteren, tenzij gezegd moet worden, dat verweerder bij de uitoefening van die bevoegdheid in strijd heeft gehandeld met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Blijkens artikel 13 van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien: a. internationale verplichtingen daartoe nopen; b. met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend. c. klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen. Gesteld noch gebleken is, dat internationale verplichtingen nopen tot het verlenen van een verblijfsvergunning en dat met de aanwezigheid van eisers hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend. Aan de orde is aldus de vraag of klemmende redenen van humanitaire aard tot het verlenen van een verblijfsvergunning nopen. Ingevolge artikel 3.13, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming, verleend aan het in artikel 3.14 genoemde gezinslid van de in artikel 3.15 bedoelde hoofdpersoon, indien wordt voldaan aan alle in de artikelen 3.16 tot en met 3.22 gestelde eisen. Ingevolge het tweede lid kan in de overige gevallen de in het eerste lid bedoelde verblijfsvergunning worden verleend. Ingevolge artikel 3.14, aanhef en onder c, van het Vb 2000 wordt de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, verleend aan het minderjarige biologische of juridische kind van de hoofdpersoon, dat naar het oordeel van de minister feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van die hoofdpersoon en dat onder het rechtmatige gezag van die hoofdpersoon staat. Verweerder heeft in de bestreden besluiten zijn standpunt inzake de feitelijke gezinsband enkel aan het beleid getoetst, zoals neergelegd in het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire TBV 2002/4 (hierna: TBV 2002/4), zoals dat luidt sedert 23 maart 2002. Ingevolge TBV 2002/4 wordt indien de scheiding tussen de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.