Rechtbank ‘s-Gravenhage sector bestuursrecht tweede afdeling, enkelvoudige kamer Reg. nr. AWB 03/4202 BESLU UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Uitspraak in het geding tussen [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder. Ontstaan en loop van het geding Bij brief van 6 mei 2002 heeft eiseres bij verweerder een aanvraag ingediend voor een verklaring van vakbekwaamheid als arts, teneinde in het in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) bedoelde register van artsen te kunnen worden ingeschreven. Bij brieven van 21 juni 2002 en 11 september 2002 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat bij de aanvraag nog een aantal gegevens ontbreekt, waaronder die met betrekking tot werkervaring. Eiseres is in de gelegenheid gesteld de ontbrekende documenten alsnog in te zenden. Bij brief van 1 november 2002 heeft eiseres een deel van de gevraagde gegevens verstrekt. Zij heeft voorts aan verweerder meegedeeld dat niet alle gevraagde documenten kunnen worden overgelegd, omdat zij deze stukken tijdens haar vlucht uit Iran niet heeft kunnen meenemen. Bij brief van 13 januari 2003 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld voornemens te zijn haar verzoek niet in behandeling te nemen, omdat essentiële gegevens ontbreken. Op 21 januari 2003 heeft een zienswijzegesprek tussen medewerkers van verweerder en eiseres plaatsgevonden. Verweerder heeft naar aanleiding van dit gesprek de aanvraag van eiseres alsnog in behandeling genomen. Bij besluit van 27 januari 2003 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 5 maart 2003 een bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van 25 augustus 2003 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 3 oktober 2003, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum en van gronden voorzien bij brief van 25 november 2003, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 22 december 2003 een verweerschrift ingediend. De zaak is op 12 januari 2005 ter zitting behandeld. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A.A. van Harmelen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J. Stoop en mr. D.P. de Waal. Standpunten van partijen Eiseres, van Iraanse nationaliteit, heeft aangevoerd dat zij in de periode van 1985 tot 1992 geneeskunde heeft gestudeerd aan de Universiteit Shahid Beheshti te Teheran, Iran. Zij heeft in 1992 haar artsdiploma behaald. In de jaren 1992 tot 1994 heeft zij full-time als huisarts gewerkt. In de periode van 1994 tot 1997 heeft zij aan dezelfde universiteit een opleiding tot internist gevolgd, welke specialisatie zij met succes heeft afgerond. In 1997 heeft zij full-time gewerkt als internist. In de periode van 1998 tot en met 2000 heeft zij gewerkt als arts en als internist in een eigen praktijk. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat zij, nu haar niveau nagenoeg gelijkwaardig is aan dat in Nederland, (geclausuleerd) kan worden ingeschreven in het BIG-register. Eiseres heeft met het volgen van deze specialistische opleiding en met haar werkervaring in Iran gedurende viereneenhalf jaar, het verschil in opleidingsniveau gecompenseerd. Verweerder is ten onrechte afgegaan op de algemene adviezen van de Commissie Buitenslands Gediplomeerden Volksgezondheid (CBGV). Hiermee is onvoldoende een individuele afweging gemaakt, hetgeen in strijd is met de Richtlijn compensatie buitenslands gediplomeerde artsen (de Richtlijn). De door verweerder gehanteerde studievergelijkingen zijn als willekeurig te bestempelen, nu dezelfde opleiding aan hetzelfde instituut in de ene vergelijking op vier jaar en in de andere vergelijking op vijf jaar wordt gewaardeerd. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom het diploma van eiseres op vier jaar is gewaardeerd. Bovendien verschilt de situatie van eiseres van die in de gebruikte studievergelijkingen, aangezien eiseres ook nog een specialisatie heeft gevolgd én relevante werkervaring heeft opgedaan. De combinatie van basisopleiding, specialisatie en werkervaring zouden op zijn minst moeten leiden tot een waardering op vijf jaar wetenschappelijk onderwijs geneeskunde in Nederland. Verweerder is voorts buiten zijn bevoegdheid getreden door vast te stellen dat de Medisch Specialisten Registratie Commissie (MSRC) zou oordelen dat de door eiseres gevolgde specialisatie niet als (nagenoeg) gelijkwaardig zou worden beschouwd. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Wettelijk kader De beroepsmatige uitoefening van de geneeskunst in Nederland is voorbehouden aan artsen die zijn ingeschreven in het in artikel 3, eerste lid, van de Wet BIG bedoelde register van artsen. Verweerder is bevoegd om, binnen de grenzen van deze wet, op een aanvraag tot inschrijving in het register te beslissen. Artikel 6 van de Wet BIG bepaalt onder meer dat de inschrijving wordt geweigerd, indien de aanvrager niet voldoet aan de in Hoofdstuk III van deze wet bedoelde opleidingseisen. Ingevolge artikel 18 van de Wet BIG wordt, om in het register van artsen te kunnen worden ingeschreven, het bezit vereist van een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene voldoet aan de daartoe bij algemene maatregel van bestuur gestelde opleidingseisen. Dit betreft degene die het Nederlandse artsdiploma heeft behaald. Aan een buitenlands gediplomeerde wordt, indien hij onderdaan is van een land dat deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte, de inschrijving in het register niet geweigerd indien hij een diploma of getuigschrift bezit, dat wordt genoemd in de krachtens artikel 41, eerste lid, onder a, van de Wet BIG vastgestelde Regeling aanwijzing buitenlandse diploma’s gezondheidszorg. Een zodanig diploma of getuigschrift geldt als een bewijs van vakbekwaamheid dat geacht kan worden gelijkwaardig te zijn aan het Nederlandse artsdiploma. Een buitenlands gediplomeerde die niet aan deze voorwaarden voldoet kan, teneinde in aanmerking te worden gebracht voor inschrijving in bovengenoemd register voor artsen, bij verweerder een verklaring aanvragen als bedoeld in artikel 41, eerste lid, onder b, van de Wet BIG, een zogenaamde verklaring van vakbekwaamheid. Deze verklaring houdt in dat tegen de inschrijving in het register van artsen, gelet op een door de betrokkene in het buitenland verkregen getuigschrift en op de daarnaast opgedane beroepservaring en gevolgde opleiding, voor wat betreft de vakbekwaamheid geen bedenkingen bestaan. Bij de afgifte van een dergelijke verklaring kan verweerder op grond van artikel 41, derde lid, aan de inschrijving in het register beperkingen stellen, de zogenaamde geclausuleerde inschrijving. Artikel 41, vierde lid, van de Wet BIG bepaalt dat, behoudens in bijzondere gevallen, een ongeclausuleerde verklaring slechts kan worden afgegeven indien het door de verzoeker in het buitenland verkregen getuigschrift naar het oordeel van verweerder kan gelden als bewijs van verworven vakbekwaamheid die de in het eerste lid, onder a, bedoelde gelijkwaardigheid (dat wil zeggen de gelijkwaardigheid aan het Nederlandse artsdiploma) bezit. Verweerder heeft met betrekking tot de behandeling van verzoeken om een vakbekwaamheidsverklaring beleid vastgesteld, neergelegd in de 'Circulaire verklaring omtrent de vakbekwaamheid van buitenslands gediplomeerden volksgezondheid' van 29 juli 1998 (Stcrt. 1998, 141; hierna: de circulaire). Blijkens de circulaire onderzoekt verweerder of de vakbekwaamheid van de aanvrager, gezien zijn/haar diploma of getuigschrift, eventuele specialisatie en eventuele beroepservaring, gelijkwaardig kan worden geacht aan de vakbekwaamheid van de in Nederland gediplomeerde beoefenaar van het overeenkomstige beroep. Uit de circulaire blijkt voorts dat verweerder zich ten aanzien van het al dan niet afgeven van een verklaring omtrent de vakbekwaamheid kan laten adviseren door de CBGV. In de circulaire is omtrent deze advisering het volgende bepaald: "De commissie baseert haar advies primair op aan haar overgelegde documenten en desgewenst op de diplomawaardering door de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het Hoger Onderwijs (NUFFIC) of van de Vereniging Landelijke Organen Beroepsonderwijs (COLO) over de door de aanvrager genoten opleiding. De commissie zal, indien nodig, referenties over hem/haar inwinnen en/of hem/haar uitnodigen voor een gesprek. De commissie beoordeelt de vakbekwaamheid op basis van het getuigschrift van de buitenslands gediplomeerde, zo nodig mede in het licht van opgedane werkervaring en eventuele medische specialisatie, of in het licht van opgedane werkervaring en eventuele kennis- en/of vaardighedentoets. De buitenslands gediplomeerde kan worden uitgenodigd deze toets af te leggen indien de overgelegde stukken voor de beoordeling inzake niet gelijkwaardigheid danwel gelijkwaardigheid onvoldoende aanknopingspunten geven. De kosten voor het deelnemen aan een toets, waartoe de betrokkene overigens niet verplicht kan worden, zijn voor rekening van de aanvrager." De CBGV heeft op 26 februari 1998 de 'Richtlijn compensatie buitenslands gediplomeerde artsen' (de Richtlijn), nadien gewijzigd op 23 maart 1999, vastgesteld. Het doel van de Richtlijn is inzichtelijk te maken hoe de CBGV tot haar adviezen komt, waarbij al dan niet sprake is van geheel of gedeeltelijke compensatie. In de Richtlijn is onderscheid gemaakt naar gelang het niveau van de opleiding van de aanvrager vergelijkbaar is met vier dan wel vijf jaar wetenschappelijk onderwijs geneeskunde in Nederland. In de Richtlijn is onder meer het volgende bepaald: “A. Een aanvrager heeft een opleiding gevolgd die volgens de Nuffic op het niveau is van vier jaar wetenschappelijk onderwijs geneeskunde in Nederland en de commissie stemt in met deze waardering. Compensatie door werkervaring Compensatie door alleen werkervaring is niet mogelijk omdat de aanvrager heeft gewerkt vanaf een niet gelijkwaardig opleidingsniveau. Compensatie door specifieke (“medisch specialistische”) opleiding De aanvrager heeft een opleiding tot geneeskundige gevolgd en daarna een specifieke opleiding volledig afgerond die de Medisch Specialisten Registratie Commissie (MSRC), de Sociaal geneeskundige Registratie Commissie (SGRC) of de Huisarts en Verpleeghuisarts Registratie Commissie (HVRC) als (nagenoeg) gelijkwaardig beschouwt aan een Nederlandse specialisatie. De MSRC, SGRV of de HVRC is tevens bereid de aanvrager een beoordelingsstage van maximaal één jaar aan te bieden om te bezien of betrokkene in dat jaar als specialist geregistreerd kan worden. In die situatie zal de CBGV aan de minister adviseren de aanvrager een verklaring van vakbekwaamheid af te geven met de volgende clausule: De aanvrager kan geclausuleerd worden ingeschreven in het BIG-register ten einde een beoordelingsstage van de MSRC, SGRC of de HVRC te volgen. Deze geclausuleerde inschrijving kan worden geëffectueerd wanneer bekend is waar de beoordelingsstage zal plaatsvinden, wie de supervisor is en de Minister van Volksgezondheid Welzijn en Sport goedkeuring heeft gegeven aan onderliggende supervisie-overeenkomst. B. Een aanvrager heeft een opleiding gevolgd die volgens de Nuffic op het nivaeu is van vijf jaar wetenschappelijk onderwijs geneeskunde in Nederland en de commissie stemt in met deze waardering.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.