Rechtbank ’s-Gravenhage nevenzittingsplaats Alkmaar voorzieningenrechter U I T S P R A A K artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) reg.nr.: AWB 05/19530 V-nr.: 130.513.4382 inzake: A, geboren op [...] 1965, van Turkse nationaliteit, verzoeker, gemachtigde: mr.drs. E.A.A. Charry, advocaat te Amsterdam, tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, gemachtigde: mr. R.H. Visser, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie. I. Procesverloop 1. Op 16 maart 2004 heeft verzoeker een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder de beperking “het ondergaan van medische behandeling”. Bij besluit van 4 april 2005 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. In dit besluit heeft verweerder medegedeeld dat, indien verzoeker tijdig bezwaar maakt tegen dit besluit, de rechtsgevolgen van het besluit niet worden opgeschort. Bij bezwaarschrift van 29 april 2005 heeft verzoeker tegen dit besluit bezwaar gemaakt. 2. Bij verzoekschrift van 29 april 2005 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht over te gaan tot schorsing van de rechtsgevolgen van het besluit. De op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder zijn op 19 mei 2005 ter griffie ontvangen. Op 20 mei 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. 3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2005. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door drs. F.W. King, die voor eisers gemachtigde heeft waargenomen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. II. Overwegingen 1. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 Awb worden getroffen indien onver-wijlde spoed, gelet op de betrok-ken belan-gen, dat ver-eist. Het verzoek wordt toegewezen indien het belang van verzoeker bij de gevraagde voorziening zwaarder weegt dan verweerders belang bij onmiddellijke uitvoering van zijn besluit. Bij de afweging van deze belangen wordt mede betrokken de vraag of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. 2. Blijkens het bestreden besluit schort het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening bij de rechtbank indien dit is ingediend binnen twee weken na bekendmaking van de beschikking in het algemeen het vertrek op. Nu is gebleken dat eiser zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet heeft ingediend binnen twee weken na bekendmaking van het bestreden besluit, en zijn vertrek uit Nederland derhalve niet is opgeschort, is sprake van een spoedeisend belang bij het verzoek. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is derhalve ontvankelijk. 3. Verzoeker heeft zich ter zitting, onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 3 februari 2005 met nummer AWB 04/45022, op het standpunt gesteld dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet heeft beoordeeld of zich in het geval van eiser, gelet op zijn gezondheidstoestand, een uitzettingsbelemmering als bedoeld in artikel 64 Vw 2000 voordoet. 4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de vraag of eiser naar zijn land van herkomst kan reizen reeds door het Bureau Medische Advisering (hierna: BMA) is beoordeeld. 5. Voor het verkrijgen van een advies van het BMA over de medische situatie waarin een vreemdeling verkeert, zijn modelvraagstellingen opgesteld. In het kader van een aanvraag om een vergunning tot verblijf onder de beperking “voor het ondergaan van een medische behandeling”, stelt verweerder het BMA – voor zover hier van belang – de volgende vragen: 1a. Heeft betrokkene één of meerdere medische klachten? 1b. Zo ja, wat is de aard van de klachten? 5a. Kan betrokkene op basis van de huidige medische inzichten gezien diens klachten reizen? 5b. Zo ja, met welk(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.